Voorjaarsmomenten bij Perdu
Tenny Frank
5 februari 2011
Twee prachtige nieuwe bundels sieren onze middentafel:
De tuin van de Franse poëzie. Een canon in 100 gedichten. Vertaald door Paul Claes, uitgegeven door Athenaeum, Polak & van Gennep, Amsterdam, 2011. Prijs: € 32,50
Ernaast De dichter is een kleine God. De mooiste gedichten uit het Spaans. Vertaald door Barber van de Pol en Maarten Steenmeijer, 2011. Prijs: € 29,95. Dezelfde geoefende uitgever.
Want de poëzie blijft stromen over de wangen van onze nieuw-gewitte muren van Perdu.
Aantrekkelijk in de winkel vind ik wekelijks het onverwachte dat je met de ogen verslindt. Onderstaande bundels keken mij vorig jaar aan. Die neem ik straks mee, dacht ik meteen. Ik had het voorjaar in mijn hoofd.
Daniil Charms, Ik zat op het dak, Atlas (van de Twintigste eeuw – NR 20), tweede druk, 2002. Vertaald door Margriet Berg, Yolanda Bloemen, Jan Paul Hinrichs en Marja Wiebes; Gekozen door Yolanda Bloemen. Met een nawoord van Jan Paul Hinrichs.
Op de achterkant kun je het volgende lezen: “Het is mogelijk in Charms een Russische schrijver in de traditie van Gogol, Dostojevski en Tsjechov te zien. Evengoed mag men Charms een meester van het absurdisme noemen, naast Ionesco en Beckett, of kan men in hem een Paul van Ostaijen-achtige dadaïst ontdekken.”
In deze bundel: 'Verhalen en scènes, gedichten, een novelle De oude vrouw en brieven'.
En als je onderstaande verzen hebt gelezen, dan blader je terug om in je herinnering te brengen wat hij ook al weer over Poesjkin zei:
Tafel gegroet
jij steunde
jarenlang mijn lamp en broek
en mijn veelkleurige
saucijsjes
ik liep
onder jou door zonder mijn hoofd te buigen
terwijl ik kussentjes vergaarde voor
gedachtekevers
jij
dwaas! wat heeft jou aangezet
om alles op de grond te
gooien
wat door de
mens aan jouw verstand werd toevertrouwd
blijf staan jij houten
nietsnut.
15 april 1931
Over Poesjkin
Het is moeilijk iets over Poesjkin
te zeggen tegen iemand die niets
van hem weet. Poesjkin is een groot
dichter. Napoleon is minder groot dan Poesjkin. En Bismarck is
niets in vergelijking met Poesjkin. En Alexander I, II en III zijn
gewoon kleine jongens in vergelijking met Poesjkin. En alle mensen zijn
kleine jongens in vergelijking met Poesjkin, alleen in vergelijking met
Gogol is Poesjkin zelf een kleine jongen. En daarom kan ik, in plaats van over
Poesjkin, beter over Gogol schrijven.
Ofschoon Gogol zo groot is, dat het onmogelijk is over hem iets te schrijven, en daarom ga ik toch maar over Poesjkin schrijven. Maar na Gogol over Poesjkin schrijven is enigzins beledigend. Daarom kan ik beter over niemand iets schrijven.
15 december 1936
Of je denkt aan deze
notitie die als een filmbeeld in je geheugen is blijven hangen: "Een man met een dom gezicht at een
entrecote, kreeg de hik en ging dood. De obers droegen hem naar de
gang die naar de keuken leidde, legden hem bij de muur op de grond
en bedekten hem met een vuil tafellaken.
[ midden in de jaren dertig
]
En je vergeet nooit meer de
dadaïstische schrijftoon van Charms als het thema 'de dood' zijn verhalen doorkruist:
De dood van een oud mannetje
Uit de neus van een oud mannetje
sprong een klein balletje dat op
de grond viel. Het oude mannetje
bukte zich om het balletje op te
rapen en op dat moment sprong er een
klein stokje uit zijn oog dat
ook op de grond viel. Het oude
mannetje werd bang en omdat hij
niet wist wat hij moest doen, bewoog
hij zijn lippen. Op dat mo-
ment sprong er klein vierkant uit
zijn mond. Het oude mannetje
greep met zijn hand naar zijn mond,
maar op dat moment sprong
er uit de mouw van het oude mannetje
een muisje. Het mannetje
werd misselijk van angst en om niet
te vallen ging hij op zijn hurken
zitten. Maar toen
kraakte er iets in hem en als een zachte pluchen
jas zakte hij op de grond. Toen
sprong er uit zijn gulp een lange
stang en op het einde van die stang
zat een fijn vogeltje.
Het mannetje wilde schreeuwen, maar
zijn ene kaak kwam terecht
op de andere en in plaats van te
schreeuwen maakte hij alleen een
zwak hikgeluid en hij deed een oog
dicht. Het andere oog van het
oude mannetje bleef open, maar
bewoog en glansde niet meer en
werd onbeweeglijk en dof als bij een
dode. Zo verraste de sluwe
dood dit oude mannetje, dat niet
besefte dat zijn uur gekomen was.
[1935-1936]

Fernando Pessoa, Het boek der rusteloosheid, AP, 2005. Eerste druk november 2005. Tweede
druk november 2009. Bezorgd door Richard Zenith;
Vertaald en van een
nawoord voorzien door Harrie Lemmens.
Tom van deel schreef over dit prachtige boek in Trouw: “Zijn Boek der rusteloosheid is een schepping van de eerste orde, een van de grote werken uit de wereldliteratuur”.
En Nicolaas Matsier schreef in NRC Handelsblad: “Er is vrijwel geen schrijver te bedenken die zozeer uitmunt in scheermesscherpe zelfkarakteriseringen, stuk voor stuk citabel”.
In het nawoord lees je in iets dat getiteld is als Pessoa's patience dat: “Gedurende korte tijd, van 15 februari tot 19 april 1913, tekent Fernando Pessoa in een agenda op wat hij dagelijks doet. Het is geen dagboek in de geijkte zin, hij noteert niet zijn gevoelens of gedachten, maar eerder een soort grootboek, waarvan hijzelf de boekhouder is.”
Zijn overpeinzingen worden met datum aangegeven. Het begint 29 maart 1930; een twintigtal pagina's verder 22 maart 1929 en dan chronologisch tot de laatste gedateerd 26 juli 1934. Boeiend voor de lezer, want die merkt al snel dat het er niet toe doet hoe je zijn 'rustenloosheid' leest.
Als een lang filosofisch gedicht ontwikkelen zich zijn gedachten over zijn 'ik', het menszijn, zijn schrijverschap, onze relatie tot anderen, het denken, ons bewustzijn, onze dromen, het zoeken naar de waarheid, de kunst en het leven.
Met citaten wil ik u een idee geven hoe boeiend deze denker zijn gedachten weergeeft. Hoe vormend voor de dichters onder ons zijn overpeinzingen, hoe actueel zijn gedachten. Het maakt niet uit of je dit in de jaren dertig van de vorige eeuw leest of anno 2011. Klassiek is deze kunst! Het zal ons denken bepalen, ons schrijven beïnvloeden.
p. 60 (24 maart 1930)
Het isolement heeft mij
gevormd naar zijn beeld en gelijkenis. De aanwezigheid van een ander
– als is het maar één
persoon – remt mijn denken, en terwijl het contact met een ander bij een
normaal mens
stimulerend werkt op zijn zeggingskracht, werkt het bij mij contrastimulerend,
als je die
samenstelling kunt maken.
p. 138 (27 juli
1930)
Of het mij
bedrukt dat niemand leest wat ik schrijf? Ik schrijf het om me af te leiden van
het leven en ik
publiceer het omdat dat nu eenmaal bij het spel hoort.
p. 187 (18 juni
1931)
Als ik
aandachtig kijk naar het leven dat de mensen leiden, tref ik daarin niets anders
aan wat het zou doen
verschillen van het leven van de dieren. Zowel dieren als mensen worden onbewust
door de dingen en de
wereld geslingerd; zowel dieren als mensen vermaken zich met tussenpozen; zowel
dieren als mensen
doorlopen dagelijks dezelfde organische kringloop; zowel dieren als mensen
denken niet verder dan
ze denken, en leven niet verder dan ze leven. De kat slaapt en koestert zich in
de zon. De mens slaapt
en koestert zich in het leven met alle verwikkelingen ervan. Kat noch mens
bevrijdt zich van de
noodlottige wet te zijn zoals hij is. Geen van de twee probeert de zware last
van het zijn op te
heffen.
p.361 [16 maart 1932]
Tijdens de incidentele momenten van afstandelijkheid waarin wij van onszelf bewust worden als individuen, als anderen in de ogen van de anderen, heb ik me altijd afgevraagd wat voor indruk ik fysiek en zelfs moreel zou maken op degene die mij dagelijks of toevallig zien en aanspreken. Wij zijn allemaal gewend om onszelf in de eerste plaats als een geestelijke en de anderen als een direct lichamelijke realiteit te beschouwen; heel vaag slechts beschouwen wij onszelf als een fysiek wezen dat een bepaalde indruk maakt op anderen; en even vaag beschouwen wij de anderen als geestelijke realiteiten, maar alleen in de liefde en in conflicten beseffen we werkelijk dat de anderen net als wijzelf vooral een ziel hebben.
p. 370 [15 mei
1932]
Alleen wat
wij dromen zijn we werkelijk zelf, want de rest behoort, omdat het al
werkelijkheid is, aan
de wereld en iedereen.
p. 381 [14 juni
1932]
Het zoeken
naar de waarheid – of dat nu de subjectieve waarheid van de overtuiging is, de
objectieve van
de werkelijkheid of de maatschappelijke van het geld en de macht –
levert altijd als beloning voor wie zich ermee belast, de ultieme
kennis op van het feit dat ze niet bestaat. De hoofdprijs in de loterij
van het leven valt
alleen toe aan diegenen die toevallig een lot kopen.
Kunst heeft waarde
omdat ze ons hier weghaalt.
p. 392 [23 juni
1932]
Het leven
is een onvrijwillig gemaakte reis. Een reis van de geest door de materie, en
omdat het de geest is
die reist, leven wij in de geest. Daarom hebben veel beschouwende zielen
intenser, grootser en
stormachtiger geleefd dan zielen die naar buiten gericht leefden. Alleen het
resultaat telt. Wij
beleven wat wij voelen. We worden net zo moe van een droom als van
zichtbaar werk. We
beleven nooit zoveel als wanneer we veel denken.
p. 425 [ 23 maart 1933]
Voor de meeste mensen is
het leven een nare zaak die zich ongemerkt voltrekt, een treurige
aangelegenheid met
vrolijke tussenpozen, zoiets als de ogenblikken waarop mensen elkaar tijdens de
dodenwake grappen
vertellen om wakker te blijven en de nacht door te komen. Ik heb
het altijd onzinnig gevonden het leven te beschouwen als
een tranendal: het is wel een tranendal, maar een waar zelden wordt gehuild. Heine heeft gezegd
dat we na afloop van grote tragedies altijd onze neus snuiten. Als jood en dus universele geest
heeft hij de universele aard van de mensheid helder doorzien.
Noodzakelijk, aantrekkelijk, onvermijdelijk is Pessoa voor het begrip van het wezen van Literatuur en Poëzie. Sla Het Boek der rusteloosheid op een willekeurige bladzij open, je geest verdrinkt erin en wil nooit meer bovenkomen. Je lichaam zwemt verder ...
De mooiste van De Hele Wereld, De moderne wereldpoëzie in 333 gedichten , samengesteld door Koen Stassijns en Ivo van Strijtem, Lannoo Atlas, 2010.
Dit gigantische dichtmonument telt tien hoofdstukken, elk ingeleid door “een gedicht van een illustere voorganger uit de negentiende eeuw, om nog maar eens de continuïteit, de universaliteit en de verbondenheid van alle dichters ter wereld te benadrukken” lezen we in het woord vooraf.
En alle bekende dichters uit de wereldliteratuur zijn van A tot Z aanwezig: Van Anna Achmatova tot Kejia Zang en niet te vergeten Daniil Charms en Fernando Pessoa. Toen ik deze eenling in de winkel zag liggen vond ik eigenlijk dat ik het niet mocht meenemen. De klant heeft immers voorrang. Maar het lag er al een week of liever gezegd het stond rechtop, duidelijk zichtbaar. Niemand die het inkeek of kocht. Dus, dit is voor mij was toen de gedachte.
De eerste regels van het Woord vooraf geven al meteen aan waar het de samenstellers om te doen is geweest. Ik citeer: “Boeken worden 'snel gedrukt', gelezen, afgeschreven. Poëzie kan dit niet hebben.' Dat beweerden we vijftien jaar geleden bij het verschijnen van De mooiste van de hele wereld. En dat het boek daarom een dwarsligger wilde zijn, de sneltrein wilde afremmen, de mallemolen rustiger wilde laten draaien, en dat het een overzichtstentoonstelling was: naast de bekende monumenten ook ten onrechte vergeten dichters en gedichten, een uitgelezen keuze uit de moderne wereldpoëzie, het resultaat van een jarenlange, consequente zoektocht.”
En als je bedenkt dat de serie De mooiste van ... aan het verdwijnen is, dan is dit monument een prachtige restauratie. En ze liggen naast elkaar: de klassieke dichter en de nieuwe onbekende. À chacun son plaisir.
Men laat zich verleiden door de onbekende dichters, zoals bij voorbeeld deze dichter uit Georgië, Galaktion Tabidze (1891-1959). Ik citeer de eerste strofen, en de laatste van een gedicht getiteld
Ik en de nacht
De nacht smelt brandend weg, terwijl
dit vers hier mag ontstaan,
een bries draagt door het open raam
verhalen over verre oorden aan.
Een zilveren deken hangt over de
maanbeschenen wereld neer,
voor het open raam wiegt de jasmijn
slaperig heen en weer.
Blauw licht trekt strepen in de
duifgrijze lucht,
zoals emotie door mijn sonore verzen
klinkt.
De wereld is doordrenkt van
raadselachtig licht zo zacht
en zwanger van gevoel, zoals mijn
hart vannacht.
Al vele jaren draag ik een geheim in
de krochten van mijn hart,
ik vertrouw het niemand in de wereld
toe, zelfs niet de wind, al valt dat hard.
( .... )
Enkel de nacht neemt akte van mijn
lot - verweesd en in het nauw gebracht,
want er is niemand meer op de
wereld: behalve ik en de nacht, ik en de nacht.
Dit gedicht is opgenomen in het hoofdstuk Landschappen, maar welke gedichten lezen wij bij Liefde? Ik maak een keuze omdat de surrealist Benjamin Péret mijn favoriet is bij die groep en vraag mij af 'welk gedicht zouden zij hebben gekozen' van deze Franse dichter (1899-1955):
De kinderen lachen maar wat doen hun ouders
Lenige bark van mijn
hart
het zuur
verteert je
Bij
gebrek aan een ooi maait men het hooi
maar
lenige bark van mijn
hart
wees met zout
voorzichtig
het zout
verteert je
Lenige bark van mijn
hart
wees
voorzichtig
Men
richt huizen op
haast overal huizen
op
op het zand van
de molens
op de buik
van de vrouwen
en
kinderen worden geboren
onder de ogen van
schildpadden
Wees voorzichtig
lenige bark van mijn
hart
het is
oogsttijd
En welk gedicht van Octavio Paz (1924-1998) uit Mexico?
Geloofsbrief
Coda
Wellicht is liefhebben
leren
lopen in deze wereld.
Leren verstillen
zoals de linde en de eik uit de
fabel.
Leren kijken.
Jouw blik werpt
zaadjes.
Hij heeft
een boom geplant.
Ik praat
omdat jij het gebladerte
beroert.
In het hoofdstuk Voorbijgaan zie ik twee gedichten die mijn leerlingen in het Frans hebben moeten leren. Van Edmond Haraucourt (1857-1941)
Weggaan is een beetje
sterven,
sterven aan
wat men bemint.
Je
laat iets na van wat je vindt,
altijd weer, op aller erven.
Spijt zal steeds een eed
bederven,
een vers
verwaaiend in de wind;
weggaan is een beetje
sterven.
En men
gaat; het lijkt wel zwerven.
Tot het afscheid echt
begint
kunnen
vrienden, vrouw en kind
van elk afscheid iets
verwerven.
Weggaan
is een beetje sterven ....
En van Henri Michaux (1899-1984) dit beroemde en geliefd gedicht:
Neem me mee
Neem me mee op een
karveel,
Op een oude
en zachte karveel,
In de voorsteven, of zo je wil, in
het schuim,
En
verlies me, ver weg, ver weg.
In het span van een andere
tijd.
In het
bedrieglijk fluweel van de sneeuw.
In de adem van een paar
samengetroepte honden.
In de afgematte groep dode
bladeren.
Neem me mee zonder me te breken, in
de zoenen,
In de
boezems die opzwellen en ademen,
Op de tapijten van de handpalmen en
hun glimlach,
In de
gangen van de lange beenderen en van de gewrichten.
Neem me mee, of liever, stop me onder de grond.
In het hoofdstuk Poëzie lees ik van Bei Dao [1949], mijn favoriet uit China, een gedicht dat mij ontroert:
Geleende
richting
vissenleven
zit vol lekken
lekken in de stroom o
schuim
dat zijn mijn
woorden
met geleende
richting
doorkruist
de dronkaard zijn gelaagde echo
en het hart is
waakhond
met eeuwig
oog op de kern van lyriek
muziek in
uitvoering
in
ongeluk verbrijzeld
de hemel bedekt de
keerzijde
van ons
gevoel
geleende richting
trekvogels komen los uit mijn
slaap
weerlicht
landt in ieders glas
wie spreekt is ongeduldig
En ik vind
dat deze strofen een mooi twintigste eeuws antwoord zijn op zijn buurman
die naast hem ligt,
William Butler Yeats [1865-1939] uit Ierland, wiens poëzie
allang klassiek is.
Hebben de samenstellers van 'de mooiste van De hele wereld' bedacht
'Wie naast Wie'
zou liggen of is het toeval? Een vraag die ieder lezer zich zal stellen als
hij regelmatig duikt in
deze poëziezee.
Het
blauwe licht dat dit monument uitstraalt lacht mij dagelijks toe. Met de verzen die ik voor het
slapengaan in mijn nachten meeneem , wil ik u uitnodigen om eens deze 'mooiste van'
bundel open te slaan als u langs onze winkel loopt. Neem een gedicht mee
dat u mooi vindt, bij
voorbeeld deze van Melih Cevdet Anday
[1915-2002]
Duif
Een duif -
Plotseling applaus in het
raam.
Of de eerste vier verzen uit een langer gedicht van de al genoemde Fernando Pessoa:
Ik ben niets, kan niets, volg niets
na.
Ik draag mijn
zijn, illusie, waar ik ga.
Begrip begrijp ik niet, kan nergens
lezen
Of ik zal
zijn, niets zijnd, wat ik zal wezen.
Of van Carlos
Drummond de Andrade [1902-1987] uit Brazilië:
Midden op de weg
Midden op de weg lag een
steen
lag een steen
midden op de weg
lag
een steen
midden op
de weg lag een steen
( ... )
En van Alexander Blok [1880-1921] uit Rusland vergeet niet dit gedicht:
Nacht,
straten, apotheek, lantaren,
Een zinloos schijnsel in de
mist.
Al leef je nog
eens twintig jaren -
Geen uitweg – alles is
beslist.
Je sterft
en wordt opnieuw geboren,
Alles herhaalt zich vroeg of
laat:
Rimpels in het
kanaal bevroren,
Nacht, apotheek, lantaren,
straat.
Als laatste gedicht laat ik u deze lezen van Erik Axel Karlfeldt [1864-1931] uit Zweden:
Ik ben een zingende stem
Ik ben een zingende stem op grote
kale vlakten,
waar geen oor mij hoort en waar geen echo klinkt.
Ik ben een
dwalend licht over 't meer in zwarte nachten,
een grillig vuur, dat weldra in het
donker weer verzinkt.
Ik ben een dwarrelend blad in wijde
najaarslanden.
Mijn
leven is een spel met aller winden koor.
Of 'k
boven op een berg of in een greppel zal belanden,
dat raakt me niet, daar ben ik zelf
niet verantwoordelijk voor.
Ja, waarom deze bundels?
Ik zat op het dak is niet meer te krijgen. Het boek der rusteloosheid is moeilijk te krijgen. De mooiste van de Hele Wereld is pas nu te krijgen en ligt in de winkel. Wil ik daarmee zeggen dat de lezer van dit stuk regelmatig onze boekhandel moet bezoeken?
Ja zeker!
De kunst van het boekwinkelen is dat je de schatten meteen vindt en thuiskomt met het gevoel dat je iets in je tas hebt zitten dat je rijker maakt. Je hebt € 17,50 uitgegeven voor de eerste twee, en vorig jaar € 19,95 voor de laatste die ter kennismaking een week in de winkel lag. Nu weer, maar voor € 29,95.