Berichten uit de boekhandel

Berichten uit de boekhandel

 

van Tenny Frank

 

 

 

10-03-2017

Poëzie voor kinderen heeft in Rusland al eeuwen op een uitzonderlijk hoog niveau gestaan. Bij mij op de maan, een keuze uit de Russische kindergedichten vanaf de zeventiende eeuw, vertaald en toegelicht door Robbert-Jan Henkes en door uitgeverij Van Oorschot in april 2016 uitgegeven, is een tijdloze bundel waarin kindergedichten, sprookjes en fabels elkaar afwisselen vanaf de zeventiende eeuw tot de dag van vandaag.

Van bijna elk gedicht staat in de verantwoording precies in welk jaar het is geschreven. Er is ook een dierenregister - zo'n tweehonderd dieren - en uit de inhoud blijkt dat zo'n veertig dichters dit soort poëzie heeft geschreven waaronder ons allen bekende namen zoals Aleksandr Poesjkin, Anna Achmatova, Marina Tsvetajeva, Aleksandr Blok, Vladimier Majakovski, Ossip Mandelelstam, Daniil Charms, Iosif Brodski, maar eveneens genoeg onbekende namen.

In het nawoord van de maker van dit boek valt te lezen dat de eigenlijke Russische kinderpoëzie begint met Grootvadertje Krylov (1769-1844) die meer dan tweehonderd fabels schreef die hij onder meer ontleende aan Aesopus. Net als in Frankrijk werden deze fabels verplichte kost op school. Aardig om te weten is dat Krylov met zijn eerst verdiende geld werk van de grote zeventiende-eeuwse Franse tragedie-, komedie- en satireschrijvers Racine, Molière en Boileau kocht. Zijn dierengedichten doen erg aan Jean de La Fontaine (1621-1695) denken: geestig, speels en levensbeschouwend met een leerzame conclusie zoals bij De libelle en de mier (1808), De kraai en de vos (1807) en De ezel en de nachtegaal (1811). Een aantal van zijn gedichten geeft de moraal tussen haakjes onderaan de tekst. Dat is het geval in De spin en de donder waarin de spin door het onweer op de grond valt en bedenkt dat hij ‘nu los [liep] / Langs de rand / van het bos’ als hij een ezel was geweest. Moraal: als je valt, is het meestal naar onderen. In De ezel en de haas wil de ezel indruk maken op zijn vrienden en zegt hij dat hij goed vliegen kan, maar als de haas zegt: ‘Nou, doe het dan!’, dan ‘Landt hij - patsboem - op zijn fundament.’ (Moraal: doe geen hermelijnen mantel aan, als je geen koning bent.) Hieronder een voorbeeldgedicht uit 1808:

Dan volgt een zestigtal pagina's Aleksandr Poesjkin (1799-1857). Lange gedichten die als spannende verhalen lezen, bijvoorbeeld Het sprookje van de pope en van zijn knecht jandoedel (1830). De pope wil Jandoedel niet betalen voor zijn diensten en laat zijn vrouw een klus bedenken die niet te klaren is. Hij moet de centjes van 'de duivels uit de zee' zien op te halen omdat de pope lijfpacht van ze krijgt tot aan zijn dood. Slimme Jandoedel doet een weddenschap met de duivels: zij moeten een paard optillen van de grond en er een halve mijl mee rondrijden. Is dat mogelijk? Nee, maar hij kan het wel, 'springt te paard en rijdt als een pijl'. De pope is dan 'onaangenaam verrast' en 'verstopt zich achter zijn vrouw'. De moraal luidt dan: 'Als je alleen je eigen zakken vult, / Is het eigen schuld dikke bult'.

Het derde sprookje uit 1831, 'Het sprookje van tsaar Saltaan, zijn bloemrijke en machtige heldenzoon vorst Gwidon en de wonderschone zwanenprinses', dramatisch en romantisch, vertelt over drie zusjes die de wens koesteren om een huwelijk met de tsaar te sluiten en laten weten wat zij hiervoor zullen doen: de eerste zal 'Voor de hele christenheid' een feestmaaltijd voorbereiden, de tweede zal een lakenstof voor iedereen maken en de derde zal hem een heldenzoon schenken voor op de troon. Gwidon kiest voor de laatste en geeft de overige twee zussen allebei een taak: de ene zal koken en de andere weven. Maar het is oorlog en tsaar Saltan 'moet van zijn gade scheiden' en zegt tegen haar:

Woedend zijn de twee zussen. Dat schreeuwt om wraak. Met list en bedrog ruilen zij de tsarenbrief voor een bevel nadat ze hem eerst dronken hadden gevoerd. 'Op de tsaren last, wij willen, / Zonder tijd meer te verspillen / Dat mijn gade met haar kroost / 't Blauwe diep in wordt geloosd!' Dit nadat ze eerst de tsaar hadden belogen, die bij terugkomst van de oorlog te horen had gekregen dat de geboren zoon 'geen pad, of muis, of meesje' is maar 'een onbekend soort beestje'. Hoe het verder gaat, kunt u zelf lezen. Wel wil ik verklappen dat Zoon Gwidon en zijn moeder met diverse hulp de tocht op zee overleven en na vele omzwervingen weer veilig thuiskomen. Dit sprookje is op muziek gezet door N.A. Rimski-Korsakov.

Leuk om te weten is dat de ouders van Poesjkin geen Russisch spraken maar Frans. We lezen dat dit hem niet verhinderde uit te groeien tot 'het stralende licht der Russische letteren'. Hij leerde Russisch van zijn kindermeisje die hem vertrouwd maakte met Russische folklore en Europese sprookjes terwijl het Frans hem de mogelijkheid gaf inspiratie op te doen.

In de negentiende eeuw volgen nog een aantal bekende en onbekende namen: Pjotr Jersjov (1815-1869), Michaïl Lermontov (1814-1841), Apollon Majkov (1820-1897), Ivan Soerikov (1841-1880), Nikolaj Nekrasov (1821-1878), Valeri Brjoesov (1873-1924). Van deze laatsten m.u.v. Nekrasov zijn geen noemenswaardige gedichten opgenomen.

En zo belanden we in de twintigste eeuw met slechts drie pagina's voor Anna Achmatova (1889- 1966) van wie de bekende twaalf regels van In de kinderkamer (1911) zijn opgenomen, en Marina Tsvetajeva (1892-1941) met twee korte gedichten 'Nergens om' en Wilde wil, uit 1912.

Uit deze eeuw maak ik een keuze van de mij meest geliefde poëten. Het aardige van dit boek is dat je blijft lezen, omdat je overal humor, geestigheid en verrassende wendingen aantreft. Ik begin met Kornej Ivanovitsj Tsjoekovski (1882-1969). Tsjoekovski werd geboren als zoon van de joodse koopman Emmanuel Lewenson en zijn huishoudster. Met zijn moeder trok hij naar Odessa waar hij het gymnasium bezocht. Hij leerde zichzelf Engels en werd begin vorige eeuw correspondent in Londen. Later is hij literatuur vanuit het Engels gaan vertalen. Bekend zijn de vertalingen van de Amerikaanse dichter Walt Whitman. Daarna kwam hij in contact met literaire kringen en maakte kennis met Aleksandr Blok. In 1952 werd hem een doctorstitel toegekend vanwege zijn ontdekking en verdediging van de al eerder genoemde negentiende-eeuwse dichter Nekrasov van wie hij in 1952 een biografie publiceerde getiteld Het vakmanschap van Nekrasov. Tsjoekovski’s poëzie karakteriseert zich door de uitbeelding van het Russische dorp en de schaduwzijde van de stad. In zijn literaire vorm gegoten boerentaal is hij retorisch en vooral doordrongen van beeldentaal en folklore van het platteland. Een voorbeeld van zijn kinderpoëzie, vertaald door Peter Zeeman, is dit fragment:

Tsjoekovski werd in de Sovjettijd vooral populair met zijn kinderboeken en -verzen. Bekend van hem is het lange gedicht Krokodil uit 1917, in zes hoofdstukken vervat. We lezen dat 'Krokodil, Krokodil Krokodilovitsj' die jas en bril draagt en pookt met een stok achterna wordt gezeten door een hele horde 'Die schreeuwde en knorde en morde: / 'Niet in orde! Niet in orde! / Kijk die muil! Wat kijkt-ie vuil! / Het is een vleesgeworden moordkuil! / Waar houdt zo'n lelijkerd zich schuil?' Meteen wordt duidelijk wie hem zo haten: 'krentenwegers, schoorsteenvegers en hulverplegers, hele legers' die duwen, fluiten en lelijke gebaren maken. De krokodil - ook niet gek - opende zijn mond / En schrokte de brutale hond / In één hap op / tot het laatste haartje op zijn kop'. De horde wordt kwaad en wil hem grijpen maar hij springt 'Op tram nummer twee'. Paniek ontstaat. Dan komt een politieagent, die duidelijk maakt dat het hier verboden is voor krokodillen. De krokodil knikte attent, / En slikte de agent / In één hap door - zelfs zijn sabel verdween zonder spoor. Grote angst bij iedereen behalve bij één, 'Een buitenbeentje, / Gilde niet en trilde niet: / Dat was de dappere Vanja Vasiltsjikov.' die van plan is het monster in stukken te hakken. 'En hij zwaaide met zijn speelgoedzwaartje: / 'Dat je het maar weet!' De krokodil smeekt om medelijden voor zijn 'krokodilletjes klein, die nu stilletjes aan het huilen zijn'. Twee strofen verder doet onze vriend iets wat niemand anders kan: 'Al wat ik heb opgeslokt en opgeschrokt / Boer ik onmiddelijk retour.' Vreugde onder het publiek en Vanja V. krijgt 'Honderd pond honing / Honderd pond marmelade / Honderd pond chocolade / En wel duizend Eskimo-ijsjes!'. De krokodil maakt nu dat ie wegkomt, vliegt terug naar Afrika en plonst 'pardoes in de Nijl, / Waar zijn vrouw de krokodilse lag- / Afgepeigerd van een zware dag.'

In hoofdstuk twee krijgen we te maken met de vrouw en de kinderen van onze held. We komen te weten dat Koko en Toto, de kleintjes van die twee erg ondeugend zijn zoals het kinderen betaamt. Toto drinkt Oostindische inkt en Koko verslikt zich in de samovar. Terwijl manlief dit allemaal aanhoort en zegt 'het leven is zwaar - zonder samovar ..' zwieren opeens in de tweede strofe de deuren open en komen heel wat dieren binnenlopen:

Alle dieren krijgen wat van Kroklodil Krokodilovitsj: 'Voor de dolfijn - marsepein, / Voor de gazellen - ulevellen, / Schuimpjes voor de stieren, / Kruimpjes voor de mieren -. In strofe 4 rijst de vraag: 'En kregen zijn kindertjes ook nog iets? / Zijn kindertjes kregen he-le-maal niets.' Maar wat schetst hun verbazing: 'Toen vader uit het kamertje ernaast / Een reusachtige kerstboom pakte / En voor ze op de grond neerkwakte.' Dit heeft hij uit Rusland voor ze meegenomen: 'En veelkleurig volgehangen / Met cadeautjes van verlangen.' Kerstmis wordt in dierenland gevierd met 'De jaguar, de baviaan, het wilde zwijn - alle dieren (...) En 'Wat geeft het dat de divan onder de buffel is bezweken / En dat de neushoorn met haar hoorn tussen de deur is blijven steken?' Iedereen is blij. Des te meer dat ze ook nog bezoek krijgen van de Hippo-tsaar. 'Wat een paniek brak toen uit bij het beestenspul! / Alom klonk geloei en gekrijs en gepiep en gebrul. / 't Is ook niet niks als de tsaar je in eigen persoon / Met een staatsbezoek eert, met of zonder kroon!' Deze hooggeëerde heer wil wat meer weten over wat onze krokodil is overkomen in dat verre Rusland en hij laat hem zijn verhaal vertellen over iets heel triests, namelijk over 'Onze broeders in de dierentuin - / Een dierentuin vol hartekreten - (...) / Ze worden geslagen, willens en wetens, / Ze knauwen en knagen aldoor aan hun ketens / Ze loeien en klagen, de zielepoten - / Eeuwig zijn ze opgesloten... Als voorbeeld laat K.K. zijn neef aan het woord die ooit 'Een toffe gozer' was die van 'dansen, lachen en zingen' hield maar nu doodziek is en 'met betraande ogen' vertelt over de 'vriend-verraders' die met hun macht en kracht nooit iets hebben gedaan om al zijn vrienden te bevrijden. Deze neef sterft. Na dit verhaal besluit de ik-figuur K.K. wraak te nemen op de mens, vooral op de eerder genoemde Vanja V. 'Zijn hoofd zou ik speciaal / willen hebben op een schaal!' Echt oorlog is het nu. Het dierenleger besluit naar Petrograd te gaan, 'Daar gaan wij de sloten slopen! (...) Gooien dan de kooien open' en roept: 'Mensen, zet het op een lopen, want we bijten je verrot!'

In hoofdstuk drie komt alles natuurlijk goed tussen mens en dier. Spannend blijft het wel, want het eindigt met het verhaal van de kleine Ljalja die daar loopt met 'met haar popje in haar hand'. Om haar heen 'een legioen viervoetige soldaten' en zij wordt gegrepen door 'een gruwelijk griezelmonster' dat, blijkt later, een gorilla te zijn. Om een lang verhaal wat te verkorten moet u weten dat Ljalja het zusje is van de gruwelijke al eerder genoemde Vanja V. Zij komt vrij op voorwaarde dat

Zo komt alles goed tussen mens en dier. De oplossing van totale vrijheid voor het dier zal veel mensen boeien. In plaats van ze op te sluiten in kooien moeten ze allemaal weer terug in de natuur, waar ze thuis horen. Ja, dat spreekt aan.

De andere sprookjes zijn even spannend en lang van stuk. De Russische dichters uit deze bundel geven de lezer spannende, wonderlijke, sterke en amusante verhalen te lezen en de vertaling van Henkes weet de taal tot uitdrager van beschouwing en overpeinzing te zijn. Dit boek zal lang op je tafel blijven liggen en dagelijks om inzage vragen. Een fantastische bloemlezing voor jong en oud!

En ja, Robbert-Jan Henkes is poëtisch gezien onbenaderbaar, geestig en uitvinder van een heel eigen taal. Een geniaal dichter die woorden verzint, bedenkt en uitvindt. Eigenlijk zoals kinderen dat ook doen bij het ontdekken van taal. Dat maakt gedachte en verveelt nooit.

Omdat na Tjoekovski nog zo veel de moeite van het schrijven waard is en er ook vele anderen zijn over wie te schrijven heb ik besloten dit in twee delen te doen. In maart of april volgt deel 2.

Tenny Frank

Hier kunt u al mijn voor Perdu geschreven stukken nog eens lezen, over al die dichters die mij boeiden.

 

11-05-2016

In de bakken die u in Perdu begroeten zijn bijzondere bundels te vinden, van zowel bekende als totaal onbekende dichters, die daar uitrusten na een lange tocht langs andere boekhandels of bij mensen thuis in de kast. Ik begin met de bundel getiteld Gevoelens van een bajesklant, in 1974 uitgegeven door Horus in Den Haag. Totaal onbekend, deze Martin van den Esschert (1929-2014), een bajesklant en dichter die voor zijn kameraden in de inleiding schrijft: "Ik heb deze gedichten (die eigenlijk meer gevoelens zijn, ontstaan uit de situatie waarin ik me bevind) geschreven om daarmee mensen te bereiken die ik, doordat er tralies en deuren tussen mij en die mensen staan, niet langs een directe weg kan benaderen." Het zijn ontroerende en puntige gedichten met tekeningen over het alleen zijn, celgenoten, gevangen zitten en liefde.

Het gedicht Straat trof mij meteen door zijn kinderlijke eenvoud en ongekunsteldheid:

De vensters worden gesloten
als ik door mijn straat loop

Gordijnen langzaam opzij geschoven
als ik door mijn straat loop

Binnen wordt er geroddeld
als ik door mijn straten loop

Ik zie dat allemaal
als ik door mijn straten loop

Gelukkig ben ik innerlijk dood
als ik door mijn straten loop.

Over zijn celgenoten deze bijna geestige of - zo u leest - tragische gedichten:

Floris

Floris van cel 86
heeft in de supermarkt
een fles wijn gejat.
Hij zit nu bijna twee maanden hier
en is van een fles wijn
niet dronken maar stapelgek geworden.

Freddy

Freddy van cel 31
sloeg toen hij aan het trippen was
'want dat kan ook in een bajes'
Bartje, zijn buurman van cel 33,
met een rijkstoiletborstel
allebei zijn ogen uit hun kas
Daardoor komt het
dat Freddy nog steeds in de bajes zit.

In de Sandwich-reeks nr. 6: Gedichten van Eli Scheen, onder redactie van Gerrit Komrij. In het woord vooraf kunnen wij lezen dat deze dichter van 1964 tot 1982 veel brieven heeft geschreven aan Komrij. Samen hebben zij Theo Sontrop in zijn buitenhuis opgezocht, omdat Scheen iets zag in de gedichten van Komrij en die aan Sontrop, die toen al 'een geduchte poëzie-goeroe' was, wilde laten lezen. Scheen maakte deel uit van een familie 'die in Lochem de drukkerij en uitgeverij De Tijdstroom bestierde, een uitgeverij die was begonnen met een mooi literair programma', aldus Laurens Van Krevelen in Jaarboek voor Nederlandsche boekgeschiedenis, deel 10, 2003. De Tijdstroom werd een succestijdschrift, waarna Scheen zich vervroegd liet uitkopen en naar Griekenland vertrok. Komrij schrijft het volgende over zijn poëzie: "Wat ik in zijn brieven herkende, tegen het ondraaglijke aan, herken ik in zijn poëzie. De naaktheid, het ontbloten van zijn gevoel tot hij de essentie bereikt en, uiteindelijk, het nameloze verlangen naar vriendschap. Hij hield niet van de knutselaars onder de dichters. Hij was een illusieloos iemand die geen seconde zonder liefde kon. De publicatie van een keuze uit zijn gedichten beschouw ik als het inlossen van een ereschuld, ondanks de koude wind die tussen ons opstak." Uit dit unieke boekje kies ik een paar gedichten die ik tragisch en bijna komisch vind:

Kuil

Ik zit op de schopstoel
tussen tijd en eeuwigheid
ik wacht op het wisselen
van het getij.
Wil wel weten hoe dat gaat,
het veranderen van lichaam
in karkas.
Dat is mijn laatste nieuwsgierigheid.
Maar 't zal wel nep zijn:
in de kist, uit de kist,
en in de knekelkuil.

Dit gedicht, ook ontbloot van iedere lyriek, is naakt in zijn existentiële waarheid:

Gat

Ik ben op zoek naar het niets,
maar stuit steeds weer op iets.
Af en toe zit ik op de maan
en zie het aan.
Dan weer ben ik een meteoriet
die in het niets verschiet.
Ook dat helpt niets,
Ik blijf iets.
Maar wat?
Een zwart gat
met een bloem
op zijn reet.

Op de steen in Iraklion, waar deze dichter begraven ligt, kunnen we lezen: "Ik geloof niets, ik hoop niets, ik ben vrij."

In een andere bak, waar alle bundels van twee, drie of vier euro liggen, vond ik de zo goed als nieuwe bundels van Patty Scholten, Bert Schierbeek en J. Slauerhoff. Toch niet de minsten! Hieruit kies ik zomaar wat gedichten die zijn blijven hangen. Traliedieren van Patty Scholten (1946), in 1999 uitgegeven door Atlas, is een knappe verzameling sonnetten over opgesloten dieren. Omdat ik in de Volkskrant van 23 april 2016 het artikel Olifant aan de top van Wilma de Rek over bioloog Frans de Waal las, nu weet dat deze dieren drie keer zoveel neuronen hebben dan de mens, en de vraag gesteld werd of we ‘slim genoeg zijn om te weten hoe slim dieren zijn', koos ik haar sonnet over

Verliefde olifanten

Een hels lawaai bespringt me dominant:
Een kettingzaag op volle sterkte loeiend.
Misschien een tuinman, denk ik, bomen snoeiend.
Het is een amoureuze olifant.

Hij duwt zijn kop tegen haar zachtste zijde.
Zij zet zich schrap tegen haar muzikant
en houdt zo tegen al die hartstocht stand,
of tracht ze slechts om vallen te vermijden?

Ze staan nu boekensteunend kop aan kop
en vlechten liefelijk hun slurven samen
alsof twee slangen 't minnen overnamen.
Dan meet zijn slurf haar schedelbulten op.

Wie dierenliefde voor instinct verslijt,
zag nooit die grote zakken tederheid.

Prachtige sonnetten in Traliedieren, met onverwachte en geestige zinnebeelden over zo'n tachtig dieren. Te lezen geef ik u wat eerste zinnen over bijvoorbeeld De zeehonden: "Een zwemmer met een zwarte badmuts op" en over De landschildpad: "Zijn oude rimpelkop steekt uit het schild." Over De giraffe: "De zon verlicht het netwerk van zijn huid", en de in dit gedicht gestelde vragen in de tweede en derde strofe: "Hoe is die deinende moskee ontstaan?" en "Wat ziet een dier, vijfledig zo verzuild?" Over De flamingo's deze eerste regel: "Hun lijf een komma, hals een uitroepteken." Over De slak: "Tamboer met kleine glazen trommelstokken, / in elke stuiterbol een zwarte punt." Tenslotte dit gedicht, dat men in het klaslokaal aan de leerlingen zou kunnen voorlezen:

Klas in de dierentuin

Ze schreeuwen harder dan het grootste dier,
zo oorverdovend is hun dominantie.
De dieren werkeloos, zij met vakantie.
Tot juf ze roept met: 'Alle aapjes hier!'

Jonge primaten van het mensenras.
Te druk, te veel. Ze roepen, rennen, klimmen.
De juf vraagt of ze even kunnen dimmen.
Dan komen brood en zoetwaar uit hun tas.

De dierentuin als avontuur. Wie vreest
de tijger niet, de wurgslang, krokodillen?
Hier veilig achter tralies, en elk beest
is door hún sterke vaders opgesloten.

Ze joelen, bonken op de ruiten, gillen.
De tapir wordt met graffiti bespoten.

En hieronder slaagt Scholten erin ons heel duidelijk te maken wat zij van ons, mens, vindt.

De dagjesmens

De aangepasten aan de maatschappij
testen vandaag massaal mijn tolerantie.
Ze doen een dagje tijdens de vakantie,
de dierentuin hoort er natuurlijk bij,

Een trainingspak in felle neonkleuren
(geen dier hier evenaart dit kleurvertoon)
waarop New Generation, Yellowstone
en kinderen die rennen, klimmen, zeuren.

De dieren zijn door ons hier opgesloten.
Nu komen we eens kijken hoe het gaat
als evolutiehelden op twee poten.
Ik maak me los van het gedrang, gepraat,

probeer vergeefs mijn ruimte te vergroten
terwijl bewustzijn me met schaamte slaat.

Nu een andere bundel, die ook in onze bak bij Perdu meteen te vinden was voor een minimaal prijsje. Meteen heb je zin om deze bundel af te rekenen. Ik citeer wat je leest op de eerste pagina van Door het oog van de wind van Bert Schierbeek (1918-1996), in 1988 door De Bezige Bij uitgegeven:

Als je doorbladert, dan zie je dat een gedachte van de dichter de inleiding is tot een lange strofe. Ik heb de volgende gekozen omdat die, altijd en overal, zo actueel blijft. Hij luidt zo:

http://perdu.nl/site/assets/files/8016/peeters2.900x600.png

Schierbeek maakte tijdens de Tweede Wereldoorlog deel uit van het verzet. Hij schreef zijn ervaringen uit deze periode op in zijn literaire debuut: Terreur tegen terreur, dat in 1945 meteen zou worden gepubliceerd. Over deze roman stelt Piet Calis in zijn rode boekje Literaire vriendschappen en andere misverstanden uit 2012 de vraag of Schierbeek niet sterk beïnvloed is geweest door de bekende roman van Malraux uit 1933, La condition humaine. Zeker is wel dat hij na het schrijven van deze roman besloot nieuwe wegen in te slaan. In 1946 sloot hij zich aan bij de Cobra-beweging en werd redacteur van het tijdschrift Het woord. In 1951 publiceerde hij zijn bekende en goed verkochte boek Het boek Ik, waarvoor Willem Frederik Hermans veel waardering had. Met 60.000 exemplaren ging het over de toonbank. In de jaren vijftig is hij nauw samen gaan werken met Karel Appel en Lucebert. Deze kunstenaars mochten zijn werk illustreren. We lezen dat hij een alleskunner is en dat het surrealisme, dat Schierbeek vooral via het boek Histoire du surréalisme (1946) van Maurice Nadeau zou leren kennen, in latere jaren invloed op hem uitoefende. Hij zegt daarover: "Daarna ben ik al die surrealisten zelf gaan lezen." Wat hem het meest boeide was een zo groot mogelijke artistieke vrijheid. En voor de lezer is ook aardig om te weten dat hij in 1991 de Constantijn Huygensprijs en De Hendrik de Vriesprijs kreeg, beiden voor zijn gehele oeuvre.

En voor een paar euro is de klassieker van J. Slauerhoff Alleen in mijn gedichten kan ik wonen te koop, door Bert Bakker uitgegeven in 1984. H. Marsman schrijft hierover: "(...) een ras-kunstenaar, een grootsonbekommerde om de betweterij van schoolmeesters en pharizeeërs, een der weinigen waarin de Hollandse poëzie haar eigen voortreffelijkheid met achteloze grootheid overtreft." Het is een bloemlezing uit zijn gedichten, samengesteld en ingeleid door K. Lekkerkerker. We weten dat Slauerhoff in 1898 in Leeuwarden is geboren, medicijnen in Amsterdam is gaan studeren en daarna scheepsarts werd. Hij is te jong in 1936 overleden en heeft ontzettend veel gereisd - het Verre Oosten, Zuid-Amerika, Afrika en West-Indië -, maar wilde absoluut niet in ons kleine landje wonen. Waarom eigenlijk niet? In zijn Verspreide gedichten uit 1936 lezen we het volgende:

In Nederland

In Nederland wil ik niet leven,
Men moet er steeds zijn lusten reven,
Ter wille van de goede buren,
Die gretig door elk gaatje gluren.
'k Ga liever leven in de steppen,
Waar men geen last heeft van zijn naasten:
Om 't krijschen van mijn lust zal zich geen reiger reppen,
Geen vos zijn tred verhaasten.

Ook geef ik u de beginregels van de tweede strofe te lezen: "In Nederland wil ik niet sterven, / En in de natte grond bederven / Waarop men nimmer heeft geleefd. / Dan blijf ik liever hunkrend zwerven / En kom terecht bij de nomaden." De drie beginregels van de derde strofe maken duidelijk wat deze dichter zo tegenstaat: "In Nederland wil ik niet leven, / Men moet er altijd naar iets streven, / Om 't welzijn van zijn medemenschen denken." In de laatste twee strofen lezen we nog meer over zijn irritatie: "Ik wil niet in die smalle huizen wonen, / Die leelijkheid in steden en in dorpen / Bij duizendtallen heeft geworpen ... " En het gaat nog verder: "In Nederland wil ik niet blijven, / Ik zou dichtgroeien en verstijven." In de allerlaatste regel staat waar 't hem eigenlijk om gaat: "En nooit, neen nooit gebeurt een mooie passiemoord." In zijn sonnet Brieven op zee uit 1934 staat hoe eenzaam deze dichter eigenlijk was:

Gelezen worden ze ontelbare malen,
Al was de inhoud haast vooruit geweten,
Van 't zelfde levensstof in alle talen
En op den duur tot op het woord versleten.

Toch weer ontvouwd, na 't eenzaam avondeten,
Des nachts op wacht, te kooi en na 't verhalen;
Voor hen die zooveel eenzaamheid verbeten
Is uit die letters leeftocht nog te halen.

Tusschen lieve en liefhebbende steeds staat er
Van kroost, huis, dorp en eiland weer 't alleen
Bij trouw, geboorte en dood gevarieerd relaas.

Na tal van reizen is het of een waas
't Bekende aan land omhult, men is alleen
En hoort bij 't schip en houdt het met het water.

Als laatste wil ik de zo goed als nieuwe bundel aanprijzen van de mij onbekende Vlaamse dichter Elvis Peeters (1957), getiteld Dichter, in 2008 uitgegeven door Podium in Amsterdam. Op de achterflap ontvouwt Peeters een poëtica die als volgt luidt: "Ook poëzie ontkomt niet aan de wetten van de taal. Woorden worden belast met waarheid, zin voor zin geïnd. Inflatie van het denken eist strikte definities. Poëzie kan die niet schenken. Zij zoekt. Een uitweg uit het weten. Een geheime manier van vergeten. Het begrip, drager van betekenis, vervalt. Te weinig bracht het op. Ook de hypothese van de grammatica zit in het slop. De lijnen waarlangs de woorden lopen, liggen voortaan open. Dicht is alleen de punt. De komma is een barst. Spreken een sleutel die knarst in ieder slot. Intuïtie is de maat van alle zinnen." En dan lees je onderstaande gedichten: het eerste, Vraag getiteld, maakt gebruik van leestekens en beschrijft een samenzijn van twee mensen die in de taal gevangen zitten, wachten, niet weten, niets zeggen over wat hen misschien te wachten staat. Het tweede, Straat, met maar één noodzakelijke komma, ontwerpt de voorstelling van iemand die loopt, een gebouw ingaat, in een kamer uit het raam kijkt en een vreemde vaststelling maakt over zijn bestaan.

Vraag

Het laatste woord moet nog vallen.
Jij wacht, ik wacht, zonder te spreken.
Ik weet het niet zeker, jij weet het niet zeker,
maar we vragen ons allebei af
of misschien het voorlaatste woord al is gevallen.
Dan rest ons nog alleen dat ene woord.
En het zwijgen voor het zover komt.

Straat

Ik sla een hoek om
ik loop een gebouw binnen, ga een kamer in
kijk verlangend uit het venster
naar een lege straat
zo leeg dat ik me afvraag of ik ze zelf heb verzonnen
Het kan niet anders of ik ben geboren
daarom bevestigen ze gedenktekens aan de gevels

Zijn poëzie hangt tussen het lyrische, het zwaarmoedige en het metafysische in, zoals deze twee onderstaande gedichten, die vriendelijk naast elkaar staan:

Wat erop volgde

Iemand beveelt je, nee iemand dwingt je, nee iemand
opent je, nee iemand rukt je de benen uit elkaar.

Iedereen weet wat er tussen de benen van een vrouw zit.

Er was alles, er was niets, er bevindt zich
iemand tussen je benen.

Wat eraan voorafging is dat je was wie je was.

En het gedicht Valavond heeft ook iets geheimzinnigs, misschien door het alledaagse niet-alledaagse uur van de dag of avond wanneer alles nog mogelijk is of juist niet. Dat wordt in het midden gelaten.

Het mooiste uur van de dag.
Omdat nog net alles mogelijk is,
de dag is nog niet om,
maar beperkt,
hij is bijna om.
De intense spanning
tussen alles
en zijn beperking,
aarzelend licht.

Zo zou ik uren kunnen doorschrijven over deze unieke, gelukkige vondsten, maar dat doe ik niet. U moet zelf maar zien wat er allemaal te koop is voor een prikje: bekende en onbekende dichters, die allemaal iets toevoegen aan de oneindige mogelijkheden van poëzie; en of deze schrijvers verhalend, beschouwend, schertsend of adembenemend bezig zijn, ze hebben allen iets dat boeit, intrigeert of meesleurt naar nieuwe regionen van je geest, zoals bijvoorbeeld Martin van den Esschert, Eli Scheen, Bert Schierbeek en Elvis Peeters met mij deden. Die boekenbakken doen het meeste aan een bazaar denken, waar je voor heel weinig geld iets onverwachts vindt.
 

Mijn keuze van de dichters is toevallig. Ik heb ze gekozen zoals ze daar in die rommelbak van dichtbundels terecht zijn gekomen, niet alfabetisch maar toevallig naast elkaar liggend. Ik heb gezocht naar wat mij op dat moment van de dag het meeste aanspreekt. U ook, probeer het en neem een klassieker of een onbekende mee. Laat u meeslepen door nieuwe toonaarden en geestritmes. Ik heb Nederlandse nonsens op rijm en nog vele anderen laten rusten, want ik kon niet alles meenemen. Laat u maar 'objectief verzuipen' in de taal van deze dichters, die ons verrijken met hun taal, beelden, ritmen en gedachten, om maar eens de titel van de bundel van Hans van Willigenburg (1942) te gebruiken, die ik zelf meteen meenam. Hij was de presentator van radio- en televisieprogramma's en zijn gezicht en praatjes staan mij nog levendig voor de geest. Met in het geheugen de zojuist verdwenen journalist, presentator en dichter Wim Brands was ik benieuwd hoe deze bekende Nederlander dicht. Teleurgesteld was ik niet. De bundel viel open op dit korte gedicht met de titel Mooie dood:

De vrijheid overal over na te mogen denken
gaat over
in de vrijheid nergens meer over na te hoeven denken.

En ik dacht opeens aan vroeger, toen ik als jong meisje langs de stalletjes aan de Seine in Parijs slenterde en altijd met juweeltjes thuiskwam. Moet u ook doen: slenteren langs die bakken bij Perdu, die het meest doen denken aan deze 'bouquinistes', alleen dan niet die van Parijs maar van Amsterdam.

Hier kunt u al mijn voor Perdu geschreven stukken nog eens lezen, over al die dichters die mij boeiden.

 

11-02-2016

In de malaise van een tijdperk, waarin biljetstromen van de rijken der aarde in de ether zweven om ze in een of ander geldparadijs goed vast te zetten, is het moment gekomen om over de bijzondere dichter Nachoem M. Wijnberg (1961) eens een stuk te schrijven. Bij Perdu ligt nu de hagelwitte bundel met vuurrode titel Van groot belang, in november 2015 door Atlas Contact uitgegeven, op onze tafel.


De titels van de 250 gedichten zijn veelzeggend: De managers van de wereld. Verkopen. De grens. Kun je jouw bankier, of een andere bankier die nu nog wakker is, vragen om snel aan goedkoop geld te komen, maar heel veel, niet een beetje. De opheffing van de schulden. Eigendom. Wat van jou is. Belastingen. Je carrière. De algemene staking. Staat en markt. De Joden. Je bent ontslagen? Om geld. Op de beurs. Goede dag. Avond. Vandaag. Fabriek.


Wie is deze dichter en romanschrijver? Hij is een econoom die op het Maimonides Lyceum een Gymnasium B-opleiding genoot, Nederlands Recht en Algemene Economie studeerde en als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam promoveerde in de Bedrijfskunde. Hij is in 2001 benoemd tot hoogleraar Industriële Economie en Organisatie aan de Faculteit Bedrijfskunde in Groningen; in 2005 tot hoogleraar Cultureel Ondernemerschap en Management aan de Faculteit Economie en Bedrijfskunde in Amsterdam.

Nachoem Wijnberg heeft vaak bij Perdu opgetreden:
- Oktober 2006 bij het programma De Lezer, het omgekeerde dichtersinterview, wanneer een dichter met een lezer over zijn werk praat. Toen was het Johan Sonnenschein die door Wijnberg aan de tand gevoeld werd over zijn nieuwe dichtbundel Dranghekken van taal.
- 29 Januari 2009 zagen wij hem, bij de 30 + 30 Dichtersmarathon tussen Piet Gerbrandy, Erik Bindervoet, Elma van Haren, Pieter Boskma, Han van der Vegt, Misha Andriessen en vele anderen, eigen gedichten voorlezen zoals wij dat onlangs op de achtentwintigste van de vorige maand hebben mogen beleven, zonder Wijnberg deze keer.
- Ook in 2009 verscheen Gesprekken en essays over de kunst van het dichten van Henk van der Waal en Erik Lindner bij Querido. Op die presentatieavond werd het eerste exemplaar van dit boek aan de auteurs gegeven, te weten aan Astrid Lampe, F. van Dixhoorn en Nachoem Wijnberg.
- 4 Juni 2010 trad Wijnberg op met Philippe Becq onder leiding van Erwin Jans, dramaturg en samensteller van Hôtel New Flandres. Jans sprak het publiek toen aan over de raakvlakken en verschillen tussen deze uitzonderlijke, eigenzinnige en zeer productieve dichters.
- Vorig jaar, 20 maart 2015, traden Wijnberg en Sasja Janssen op in Twee dichters III. 'Twee stemmen, twee oeuvres, twee ritmes krijgen de tijd om tot klinken te komen. Altijd een mooie onderdompeling in het werk van twee zeer uiteenlopende dichters', aldus Perdu.

Wij weten dat hij vele prijzen heeft gewonnen: de Herman Gorterprijs in 1997 voor Geschenken, de Paul Snoekprijs in 2004 voor zijn bundel Vogels. In datzelfde jaar ontving hij voor Eerst dit dan dat de Jan Campertprijs. Deze bundel is echt nergens meer te vinden! In 2008 de Ida Gerhardt Poëzieprijs voor Liedjes. En de prestigieuze VSB Poëzieprijs in 2009 voor Het leven van. De jury noemde deze bundel 'een bijzondere aanwinst voor de Nederlandse literatuur' en schreef dat de dichter 'langs adembenemende gedachten [scheert] met poëzie die hoe laconiek van toon ook, allerminst vrijblijvend is, omdat er van alles en nog wat op het spel staat'. De dichter en wetenschapper debuteerde in 1989 op achtentwintig jarige leeftijd met De simulatie van de schepping bij uitgever Holland/De Windroos en heeft tot vandaag zo'n twintig werken op zijn naam staan: zestien dichtbundels en vier romans waarvan Alle collega's dood, mei 2015 verschenen, zeer geestig en absurdistisch is. Ik zal citeren uit de bundels die ik van hem in mijn bezit heb: Is het dan goed, in 1994 bij de Bezige Bij uitgegeven; Liedjes bij Contact in 2006; het leven van in 2008 ook bij Contact; Als ik als eerste aankom in 2011 bij dezelfde uitgeverij en de recentste uit 2015, Van groot belang.
Wat mij opvalt is dat zijn verzen uit de bundel Is het dan goed van 1994 een mij bekende vorm hebben; niettemin intrigeert Wijnberg niet zozeer door zijn taalgebruik maar door de ondoordringbaarheid van het gezegde. Ieder gedicht heeft iets raadselachtigs waarbij een poging tot duiding onzinnig lijkt. Toch doet het iets met de lezer. Wat precies is gelukkig niet echt te zeggen. Onderstaande gedichten geef ik u te lezen:

In heldere taal wordt in het eerste gedicht een huiselijk tafereel opgevoerd: een 'wij' als gezin waarin met twee vragen wordt gezocht naar weerbarstige kinderen, gevolgd door vragen naar dat éne kind, een 'hij', waarover een vooronderstelling wordt gedaan, met weer een laatste vraag. Raadselachtig is ook de 'hij' van BEWEGING die de dieren naar een ravijn 'drijft', dan zichzelf naar 'een holte in de grond om te slapen'. En waar gaat het over in TIEN? Over iets verzinnen of 'een stuk grond' kopen? Je leest, herleest totdat de beelden van het tweede gedicht en de gedachten van het derde zich in je geheugen nestelen en 'het-niet-precies-weten' in je geest. Indringend is het, want vergeten doe je het niet. De nuchtere toon en sobere regels verwijzen naar alledaagsheid maar brengen de lezer steeds naar een ander universum. Je krijgt het gevoel in een bodemloze vragende put te zijn beland waarin alles iets anders betekent dan op de vertrouwde laag-bij-de-grondse grond.
In zijn bundel het leven van uit 2008 valt op dat zijn gedichten een heel ander jasje hebben aangekregen: lange verhalende zinnen, prozaïsche poëzie die anekdotes lijken te zijn. De dichter speelt met gedachtes en gebeurtenissen uit het leven van een ik-figuur, die bijna in ieder gedicht een onverwachte wending krijgen. Let op het lettertype van de gedichten...

Men raakt met de tien zinnen verstrikt in een gedachte-experiment waarin de auteur speelt met stellingen die ietwat vreemd overkomen. Vooronderstellingen die men als gegrond kan aannemen en een vierde zin die, in z'n isolement, een gevolg aangeeft van iets dat geen oorzaak heeft. De laatste regels zijn het verhaal van iemand die bepaald wordt: 'de' arme man. In het volgende gedicht richt Wijnberg zich op ironische wijze tot de lezer. Wie anders is die 'u'? Te lezen is een algemene dubbelzinnige stelling waarmee je alle kanten op kan gaan, dan een vertelling waarin als een onverwacht poëtisch geschenk de 'ik-machinist' van het gedicht iets heel moois te beurt valt: 'zonsondergangen, zonsopgangen, nachten vol sneeuw'.

Het zijn gedichten waarvan de regels langer zijn dan de bladspiegel. Zijn het anekdotes of niet echt kloppende formules? Wellicht. Biografieën zijn het in elk geval niet. Zijn voorstellingen zijn vaak niet echt te doorgronden en die ongerijmdheid geldt ook voor de situaties en verstandhoudingen die hij oproept. Het gedicht Mijn vader gaat naar Amerika lijkt dramatisch vanwege de afwezigheid van de ouders van de ik-persoon maar zin 3 en 7 zijn een vaststelling over de schrijvende 'ik'.

Zijn veertiende bundel uit 2011 draagt de grappige titel Als ik als eerste aankom, in het lettertype Courier New, en ziet er heel anders uit dan de vorigen. De compositie van het titelgedicht is speels en de ik-figuur krijgt hier steeds een andere plaats waardoor het lijkt alsof hij letterlijk zoekend is naar een goede plek. De beeldspraak van de laatste strofe brengt een abstracte herinnering over waardoor de lezer zich de vraag stelt over welke ruimte het gaat. Wie zijn die 'anderen' die daar ook liggen en de "ik" die een eigen plaats zoekt. Gaat het om een poëticale ruimte?

Als je voor deze interpretatie kiest dan lees je al deze gedichten heel anders. Neem bijvoorbeeld strofen drie, vier en acht van Terug op mijn eiland.

Wie is 'zij'? De poëzie? En die 'anderen' die de 'ik' herkenden? Dichters? Ikzelf vind het prettig het zo te lezen. Ach, iedere lezer van goede poëzie kiest zijn eigen weg en bewandelt die navenant. Het gedicht dat in de bundel ernaast staat wil je ook graag zo lezen alsof de dichter in gesprek is met zijn werk. Ik laat u het hele gedicht lezen, later blijkt waarom.

De compositie is nu weer eens heel klassiek. De beelden: bos, bomen, takken, grot, wolken, zon, stro, veld, regendruppels zijn elementen van de lyriek, een dichtsoort waarin eigen gemoedsstemmingen worden uitgesproken. Dat gebeurt hier niet. Zou Wijnberg de lezer om de tuin willen leiden? Of metaforisch iets willen uitdrukken? De toon is namelijk allesbehalve lyrisch, hij is koel, nuchter en sober. In dit verhaal wordt moeilijk gelopen, obstakels weggeduwd, iets gezien, ergens gezeten, vastgesteld hoe fijn het 'hier' is. Waar is 'hier'? In de vierde strofe, een veronderstelling met twee ontkenningen. Interessant om een kind te introduceren dat weet waar de ingang zich bevindt en in de laatste strofe vaststellen dat de ik-persoon zich goed voelt 'ergens alleen' te zijn heengegaan. Aan ieders begrip het te lezen zoals hij wil.

Over deze bundel schrijft recensent Roel Weerheijm in Meander het volgende, onder de titel 'Nachoem M. Wijnberg. Eigenzinnig en on-Nederlands': "De bundel heeft een bezwerend karakter. Dat bezwerende zit ‘m in de formulering van de beelden en zinnen, in het dwingende van de vragen, in de opeenvolging van associaties. Het levert een overtuigend geheel op waarin de samenhang (of het bevragen daarvan) niet aan de orde komt, en er ook geen ruimte voor de lezer overblijft voor relativering van, of twijfel aan het woord van de dichter. Dat maakt trouwens niets uit: de bundel loopt over van taalvreugde, taaldronkenschap, die geen relativering behoeft. Dat zou het feest dat deze bundel is maar bederven." Helemaal mee eens. Koop deze bundel en laat u meeslepen.

Op Youtube kan men een uur lang naar Wijnberg luisteren. Dat moet u eens doen, want dan maakt u kennis met zijn manier van werken en zijn eigen kritiek. Gefascineerd door zijn rustige manier van praten over het ontstaan van een gedicht - niet zomaar in een keer - vond ik 't aardig om te weten dat hij veel correcties maakt 'op papier', dat hij vaak kijkt naar wat het kan betekenen, iedere dag schrijft, aantekeningen maakt en zegt dat een gedicht een kennisinstrument is. "Als je een goed gedicht maakt dan kom je iets meer te weten over de wereld of welk gedeelte van die wereld ook", zegt hij.

Het gaat in dit interview over zijn bundel Liedjes uit 2006. In de inhoudsopgave ziet men dat van de vierentachtig liedjes zo'n twintigtal een titel heeft; de titellozen geef ik aan met een getal dat naar de bladzijde verwijst. Opvallend is hier het lettertype: 'Arial'. Ik denk aan wat hij op Youtube zei over het gedicht 'als schilderij' dat je met behulp van de computer eruit kunt laten zien zoals je zelf wilt. Ik heb al zoveel lettertypes voorbij zien gaan! Ik kies nu uit deze bundel voor wat mijmerende ik-gedichten:

Boeiend om de laatste regels als metaforen te lezen en te proeven hoe de dichter smaakt. Zijn poëzie maakt dat je er niet zomaar vanaf komt, want het betovert en fascineert. Doet het ertoe of je precies begrijpt wat hij wil zeggen? Ja en nee. "Poëzie is op de overtreffende trap van jezelf gaan staan, helemaal boven aan het laddertje, en dan nog een trapje hoger proberen te komen." Dit citaat van de Belgische dichter Herman de Coninck (1944-1997) zegt nu precies wat het voelt om Wijnberg te lezen. De Coninck stond bekend als iemand die de ander poëzie leerde lezen. Interessant wordt het als een 'ik' en 'hij' met elkaar aan de slag gaan:

Opvallend dat het woord 'avond' vier keer valt en dan nog eens 'overdag' en 'vanavond'. "Ik probeer zoveel mogelijk het eenvoudigste woord te kiezen," en "een gedicht is iets waar je met jezelf en anderen kunt spreken op de beste manier die ik ken," zegt Wijnberg zelf.

"Gedichten zijn de meest vanzelfsprekende manier om met elkaar om te gaan," hoor ik hem zeggen. En ja, de parlando-manier van zijn schrijven doet heel vertrouwd en tegelijkertijd vreemd aan, alsof er een schrijfgeheim aan ten grondslag ligt, zoals ook in:

Over de laatste bundel Van groot belang, waarvan de titel en het uiterlijk inmiddels bekend zijn, is al veel geschreven en gesproken. Op de site van de uitgever kun je ook nog eens lezen: "In Van groot belang staan gedichten over belastingen en overheidszaken, voorraden en schulden, notarissen en accountants, fabrieken en stakingen, vrijheden en grondrechten, hoe geld te verdienen en hoe verkiezingen te winnen, wanneer een oorlog te verklaren en wanneer een nieuwe staat op te richten." Wat nog hierover te zeggen als medewerker van Perdu? Het volgende dan: Ik heb niet alle gedichten gelezen, maar genoeg om te kunnen zeggen dat het gedichten en prozagedichten zijn van een poëet en een denker die over zowat alle onderwerpen die ons bestaan zowel economisch als daadwerkelijk bepalen schrijft en dicht. Waar je deze bundel ook opent, je blijft lezen. Het is leerzaam, filosofisch, geestig, letterlijk uit het leven gegrepen, dikwijls surrealistisch van toon. Mijn bundel viel open op dit gedicht hieronder waarvan ik alleen de eerste twee strofen citeer en de lezer mag het verhaal zelf uitlezen door de bundel aan te schaffen, voor nog geen €35,-. Gigantisch veel leerzaam leesplezier valt in deze prachtige bundel te beleven. Over onderstaand gedicht wil ik het volgende zeggen: in de eerste strofe staat iets wat iedereen dagelijks overal ziet en waarover de vraag al meteen, in de eerste zin van de tweede strofe, gesteld en vrijwel meteen op diezelfde regel beantwoord wordt, en vier strofen lang in de vorm van een absurdistisch verhaal verder gaat. Dit poëtisch mechanisme wordt vaak door de auteur herhaald.

Zijn prozagedichten lezen anders. "Die laatste kunnen naar de vorm lijken op aantekeningen en een enkele keer op essays; ze eindigen regelmatig met een of meer envois in dichtvorm (het omgekeerde komt ook voor). Vaak zijn het redeneringen volgend op een vraag; die redeneringen roepen weer nieuwe vragen op. Ze kunnen ook het karakter hebben van gelijkenissen. Twee titels van prozagedichten: 'De voorraad aan keren waarvan je je kunt herinneren dat iets gebeurde én dat je daarbij was, en dat die twee dicht bij elkaar kwamen en weer van elkaar weggingen'. En een heel praktische vraag: 'Waar kun je nog meer belasting over moeten betalen en op welke manieren kun je belasting betalen of wat kun je verder doen in plaats van belasting betalen? '" Deze recensie van Hans Puper, getiteld Een onderzoek, is 17 januari 2016 gepubliceerd in de digitale krant Meander Poëzie. De formuleringen in de prozagedichten zijn vaak erg ingewikkeld, niettemin vind ik zijn gedachtesprongen zeer aantrekkelijk en voor mij zeer de moeite van het lezen waard.


Een van de laatste gedichten maakt duidelijk dat poëzie voor Wijnberg de geschiktste vorm van denken is over van alles en nog wat dat speelt in een denkend en pratend mensenleven: overwegingen, voorstellen, vooronderstellingen, gepaste antwoorden, oplossingen voor gestelde problemen, meningen, juiste en goede stellingen enzovoort... Dit alles laat hij de revue passeren in dit boek. En ik wil eindigen met een van zijn laatste gedichten:

Van groot belang kun je het beste als een spannend boek lezen. Als je eenmaal begint dan is er geen ophouden. Omdat het pagina's lang om allerlei maatschappelijke onderwerpen van ons alledaags bestaan gaat, dwingt het de lezer tot denken over zijn handelen en wandelen. Wellicht kun je de bundel beschouwen als een eenentwintigste-eeuws lijfboek. Wat het zo aantrekkelijk maakt is dat proza en poëzie vrijwel geheel samenvallen, met elkaar omgaan als twee onbezoedelde verzetsvrienden die onze maatschappij leren kennen, en veel plezier en debatsvreugde beleven. Men bewandelt de weg van een bevlogen dichtend econoom die poëzieschrijvend onze wereld beziet, ernaar kijkt, erover nadenkt, en vervolgens 'dagelijks' een bepaald soort poëzie schrijft om nog beter over deze wereld te kunnen denken.


Het lijkt erop dat de denktocht van deze bundel op het toneel eindigt, zoals ik zojuist met het laatste gekozen gedicht wilde aantonen. Is het de tragedie van onze op geld gebaseerde samenleving die ons bindt of juist scheidt? En is poëzie de enige bevrijding van de overheersing van geld en macht? De titel van deze bundel zegt in rode letters hoe belangrijk het is voor een ieder om dit werk goed te lezen.

In gesprek met critici zei Wijnberg ooit 'Het stáát er toch!'. Erik Lindner, als recensent van de Groene Amsterdammer schreef, in het al geciteerde boek De kunst van het dichten, over hem: "Hij schrijft gedichten in doodgewone taal, via rustige en gelaten regels, maar die tonen een peilloze afgrond. ( ...) De gedichten die hij schrijft, hebben een grote indringendheid. Het zijn vertellingen die zich kenmerken door een zekere ongerijmdheid. Nachoem Wijnberg schrijft geen denkende poëzie. Nee, het is andersom. Wijnberg denkt door middel van poëzie." Veelzeggend is dit citaat van een tijdgenoot die het licht ziet aan het eind van de jaren zestig. Van hen kun je zeggen dat zij elkaars tegenpolen zijn: De kunst van Lindner is beeldend, eerder dan betekenisdragend: achter ieder gedicht een verhaal dat de lezer zelf mag samenstellen of bedenken. Lindner verklaart nooit en schrijft veel titelloze gedichten die een collage lijken van observaties, in korte, pakkende en wandelende zinnen. De kunst van de ander is letterlijk veelzeggend, veelzoekend en veelbetekenend. Beiden verschillen als dag en nacht van elkaar, zijn on- en buitengewoon, en complementerend. Interessant om deze dichters naast elkaar te lezen. Beiden boeien; de ene omdat hij het gezichtsveld met beelden exploiteert en de ander met lange zinnen het verstand verscherpt.
Wijnberg is altijd op zoek naar wat hij heeft opgeschreven, naar wat het betekent om op allerlei manieren en allerlei vormen door telkens weer verder te gaan en te kijken naar wat er eigenlijk mis mee kan zijn. En ja, "Gedichten zijn de meest vanzelfsprekende manier om met elkaar om te gaan". Deze uitspraak van hem wil ik hier nog eens herhalen. Ik heb nog nooit zo'n bedreven econoom-dichter gelezen, voor wie het schrijven van poëzie een onafwendbare dagelijkse bittere noodzaak is om wellicht van de wetenschapper een ziener te maken. Zijn vak is immers natuur- en geesteswetenschap. Hij doceert, de ander leert. Die ander, de leerling moet begrijpen wat zwarte letters op papier precies zeggen Mij blijft hij intrigeren omdat zijn poëzie iets essentieels zegt over het menszijn zonder dat je wordt meegesleurd in gevoelselementen. Wijnberg creëert met constante grammaticale verschuivingen afstand en vervreemding. Zou zijn poëzie de vakantie van de wetenschap zijn?

 

11-12-2015

Dan Dada doe uw werk!

Dit boek is een genot om te bekijken. Je beseft dat met poëzie alles mogelijk is: typografisch, in kleur en met beelden. En waar je het ook openslaat, het doet iets met de lezer. Het danst, het springt, het zingt en het zaagt de poten af onder de confortabele dichtstoel waar wij in Nederland tot dan toe op zaten.
De ondertitel zegt precies waar het om gaat: AVANT-GARDISTISCHE POËZIE UIT DE LAGE LANDEN. De samenstelling en het nawoord zijn van Hubert van den Berg & Geert Buelens, 2014 bij uitgeverij Vantilt in Nijmegen uitgegeven.

Vorig jaar, maandag 3 november 2014, nodigden Perdu en Vantilt u uit voor de presentatie van deze bundel getiteld, zoals hierboven vermeld, Dan Dada doe uw werk! De bloemlezing bevat werk van onder anderen Piet Mondriaan, I.K. Bonset, Paul van Ostaijen, Herman van den Bergh, Hendrik de Vries, H. Marsman, Pierre Kemp, Kurt Schwitters, Anthony Kok, Victor J. Brunclair, Til Brugman, Gaston Burssens, A.C. Willink, Michel Seuphor en H.N. Werkman.
 

De auteurs vernoemden de bloemlezing naar de woedende woorden van dichter-voorman I.K. Bonset (ofwel Theo van Doesburg); zij hebben de ontwikkeling van deze 'protestpoëzie' willen onderbouwen en hun keuze wordt dan ook chronologisch aangeboden, in volgorde van eerste publicatie. Een informerend nawoord beschrijft het belang van deze periode die pas na 1945 met de Vijftigers een definitief beslag legde op de poëzie want zoals men weet vormen expressionisme, futurisme, dada en surrealisme de historische avant-garde. Wat men misschien niet weet is wie verantwoordelijk is voor de titel van deze bundel: Van Doesburg of Bonset (dezelfde persoon) liet in 1921 in een tirade weten het absoluut niet eens te zijn met de pogingen om 'de kanselliteratuur' van de tachtigers nieuw leven in te blazen. Of de dadaïstische dichters het 'predikantenpathos' uit de Nederlandse literatuur wisten te verdrijven is een vraag die niet echt te beantwoorden is.

Voordat ik mijn woordje over de bundel doe is het aardig iets te weten van het dadaïsme.

Dada was een culturele beweging die tijdens de Eerste Wereldoorlog in Zurich met Hugo Ball (1886-1927) en Tristan Tzara (1896-1963) begon. De Duitser en de Roemeen openen samen het Cabaret Voltaire waar zij met hun vrienden elke avond een programma opvoeren met nonsensikale teksten, simultane- en klankgedichten. Hun bedoeling was het publiek een spiegel voor te houden door een einde te maken aan krantenwartaal en aan alles wat zo netjes, aardig, bekrompen en vereuropeest klonk. Laten we er dada van maken. Dat is de grote truc, simpel en makkelijk, want de meest gebruikte klanken in de taal.
14 juli 1916 schrijft H.B. "Dada is het hart van het woord. Ieder ding heeft zijn woord, maar het woord is een ding op zich geworden. Waarom zou ik het niet zelf uit kunnen vinden? Waarom de boom niet Plonsplons moge heten als het geregend heeft? (...)". Hij wilde de taal, als door handelaren vervuilde muntstukken, verschonen.
"Ik wil het woord daar waar het stopt en daar waar het begint."
"Het woord, mijnheren, het woord is een publieke zaak van eersteklas".
Zó eindigt, vertaald in het Nederlands, zijn vurig betoog.

In 1918 bereikt de beweging zijn hoogtepunt met Marcel Duchamp (1887-1968) die begon als schilder en beeldhouwer maar zich ontwikkelde als futurist, dadaïst en surrealist. Hij was de eerste die een 'alledaags' voorwerp presenteerde als een kunstwerk, de zogeheten 'ready made'. Het was een mijpaal voor de hedendaagse beeldende kunst waarmee kunstfilosofische vragen over de aard en functie van kunst werden opgeroepen. Iedereen kent zijn Naakt dat van de trap afdaalt, het fietswiel uit 1951 en ook zijn toiletpot. M.D. was een onverschrokken vernieuwer van de beeldende kunsten.

Zó vind ik dit klankgedicht getiteld Karawane van Hugo Ball een mooie inleiding tot de bloemlezing waarover ik het wil hebben.

De bundel Dan Dada doe uw werk! laat schrijvers aan het woord die of in vergetelheid zijn geraakt of wiens invloeden wij niet kennen. Voor mij is Hendrik Marsman (1899-1940) daar een goed voorbeeld van. Dat hij in zijn begintijd werd beïnvloed door de Vlamingen Wies Moens, Paul van Ostaijen; en door de Duitse expressionist Georg Trakl weten velen misschien niet. Als u zijn klassieke regels "Denkend aan Holland / zie ik breede rivieren / traag door oneindig / laagland gaan (..)" in gedachte heeft, dan lijken de regels van dit gedicht uit 1919 bijna anachronistisch:

VROUW

Lichaam, wentelend al-leven.
gedrochtlijk staan wij en massaal geheven
tegen den rottend-paarsen hemel van verlangen

hijgende nacht
mijn vale handen tasten even
het slierend kransen van uw blauwe haren,
die, gif en scheemring, vachten hemel waren
over al-ruimte, uw gelaat, ivoor ovaal,
waarin uw ogen, spitse spleten, hangen:
een groen signaal.

En ook dit gedicht uit 1923, getiteld FREIBURG I.B.: "Huizen / hurken / roode kring / korvenring / toren / tuimel / flikkering / morgen / wimpel / zijden zon." echt on-Marsmans!

Zijn tijdgenoot Hendrik de Vries (1896-1989), een vroege surrealist avant la lettre in wiens poëzie het onderbewuste een cruciale rol speelt, schreef al vroeg dit soort gedichten. Ik citeer Middag uit 1921:

Hek. Grindveld. Stroom en boogbrug. Kaden, met kolossen
Steil stofgoud. Arendskoepels. Kabel-klossen lossen
Gesteente. Ruiker nevens ruiker spilt wild zoet.
Paleizen. Stapelbouw, waar gloedgrauw tegen woedt.

Wist u dat deze dichter en schilder ook heel wat copla's in het Spaans heeft geschreven?

Van Pierre Kemp (1886-1967) die voor zijn gehele oeuvre in 1958 de P.C. Hooftprijs en vele andere prijzen ontving is maar één gedicht in de prijzen gevallen. Van Marsman daarentegen, die ook in 1973 deze prijs ontving, zijn in de bundel een tiental gedichten te lezen. Dat ene gedicht van P.K. staat hieronder:

VALLENDE STER

De straten van den hemel zijn met sterren geplaveid en al zijn
huizen zijn gesloten en donker.
Alle gerucht is verstomd en elke beweging verstold in haar
laatste gebaar.
Over de eeuwigheid van de diepte welft de eeuwigheid van de
hoogte en de denkers van de eeuwigheid van de diepte
peinzen, of de eeuwigheid van de hoogte, de eeuwigheid van
de diepte is en de wijzen van de eeuwigheid van de hoogte,
of de eeuwigheid van de diepte, niet de eeuwigheid van de
hoogte is.
Wat is de vloer en wat is het dak en wie is de dichter, die zich
daar over bekommert?
Ik wandel in de stilte van den nacht en over den sterrengepla-
veiden hemel schiet een schielijk licht.
Is er een gouden pan van het dak of een gouden tegel uit den
vloer losgeraakt?
Wat deert het mij?
Ik heb alleen, héél even, een lichtzinnig meisje met een
schitterend gezichtje en een dun gouden kleedje, lokkend
over de nachtstraat zien dwalen.

In de vergetelheid geraakt zijn Til Brugman, Victor J. Brunclair en Anthony Kok. Mathilde Brugman (1888-1958) was van 1926 tot 1936 de levensgezellin van de Duitse Dada-kunstenares Hannah Höch met wie zij in Den Haag en daarna korte tijd in Berlijn leefde. Van haar zijn twee gedichten opgenomen: R en dit gedicht Weg, beiden uit 1923.

WEG
WEG

WEGEN

WIL
WIL

WILLEN

WAGEN

ONBEWOGEN

Victor J. Brunclair (1899-1940), dichter, romanschrijver, essayist en literair criticus, is een Vlaming - bevriend met I.K. Bonset en Gaston Burssens - die bekend stond als expressionist en activist, sterk tegen het fascisme gekant en schrijver van virulente pamfletten tegen het nationaalsocialisme, is goed vertegenwoordigd in deze bundel. Uit 1920 kies ik dit gedicht:

T.S.F.

T.S.F., nieuwe muze
zendeling tussen planeten
God wil niet op de wereld wonen
kittel Hem in een knettervuur van elektronen.

Van de tropen tot de pool
aetherwellen
trillingen van een eeuwige lier
omstroom, materie ten val
sterrentarandool
laethe, zenith, nadir
het Al,
de oneindigheid zal in haar wenteling ontstellen.

Anthony Kok (1882-1969), bekend als experimentele dichter vooral in de klankpoëzie, ontmoette bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog Theo van Doesburg die met zijn legeronderdeel gestationeerd was aan de Belgische grens; en in februari 1916 leerde hij Mondriaan kennen voor wie hij als mecenas optrad. Drie gedichten van hem zijn te lezen, waaruit ik deze uit 1921 kies:

STILTE + STEM (VERS IN W)

In het nawoord van de bundel lezen we dat de Vlaamse expressionistische dichters allemaal behoren tot de activistische generatie die zich, tijdens de Eerste Wereldoorlog en in de jaren dertig, in dubbel opzicht - zowel politiek als poëticaal - afscheidt van de mainstream: ze distantiëren zich in woord en daad van de leidinggevende generatie en zij engageren zich tijdens de bezetting volop in de Vlaamse strijd, waardoor Moens en Burssens na de oorlog in de gevangenis terechtkomen en Van Ostaijen de wijk moet nemen naar Berlijn.
Deze twee laatst genoemde dichters treden overal op in het boek. Van Van Ostaijen kies ik het tweede opgenomen gedicht uit 1916. De rest is typografisch zó bijzonder dat ik de lezer aanraad de bundel aan te schaffen om daarmee veel kijkplezier te beleven. Dit gedicht, gedrenkt in de liefde, toen de dichter twintig was, geef ik u te lezen:

IK STA NU EENMAAL VOORBIJ DE GRENS ...

Ik sta nu eenmaal voorbij de grens,
Aan dewelke ieder normaal mens
Moet stilstand houden.
Een vriend heeft me onlangs verweten,
Dat ik buiten het normale, - volgens hem het goede - ben getreden.
Maar het lot, - of wie? - heeft het zó gewild,
Want het heeft mij het ongewone voorbehouden.
Niet ik ben ongewoon, maar wel mijn levenslot.
Bij mijn vriendin heb ik steeds het grootste verlangen gekend
Om een schone liefde, in de nieuwe lente.

Maar mijn liefde ontstond
Op een Herfstavond,
Mijn grote liefde, even buiten de stad,
In het wijde park, toen het door de mensen, - de gewone dan? -
gans verlaten was.
Mijn liefde groeide sterk in de koude Winter, -
Enkel zeer mooie bloemen groeien dan. -
Daarom is mijn liefde ook oneindig schoon,
Al is zij, - 't spijt mijn vriend misschien, - ook ongewoon.

Van de Belgisch expressionistische activistische dichter Gaston Burssens (1896-1965) is de keuze erg groot. Zijn gewaagde modernisme en nonconformisme maakten hem tot een van de felst omstreden Belgische dichters. Van hem dit gedicht uit 1924, dat in de afdeling GEDICHTEN IN KLEUR typografisch heel anders overkomt. Mooier, interessanter. Zo zie je de dichters Paul van Ostaijen, Gaston Burssens en Hendrik Nicolaas Werkman (1882-1945) eindeloos spelen met beeld, kleur en lettertype. Over deze laatste Groningse dichter, hoe interessant zijn leven en tragisch zijn dood in 1945 ook was, zal ik het niet hebben omdat zijn gedichten allemaal in deze voor mij moeilijk uit te typen afdeling zitten. Interessant om te weten is ook dat Burssens Van Ostaijens onuitgegeven gedichten na diens vroege dood in 1929 uitgaf.

PIANO

lino wit en zwart

vingeren toetsen de toetsen
in mineur
maar het auditorium dut
in ut
maar Chaplin is in nood
Chopin is dood
en wordt begraven met zijn marsj in do
dodo
dada
- dadaïsme van het auditorium -

als gele vingeren de toetsen toetsen
speelt de piano
pianissimo
en draait de automatiese trommel
fortissimo

Als laatste, wil ik het hebben over het vormexperiment, dat we goed vinden bij Agnita Feis (1881-1944) die als autodidactisch beeldend kunstenaar in 1903 Theo van Doesburg leerde kennen. Voor hem schreef zij in 1908 het voorwoord van de tentoonstellingscatalogus Tentoonstelling van teekeningen en schetsen van Theo van Doesburg, die van 30 juli tot 10 augustus 1908 in de Haagse kunstkring werd georganiseerd. In 1910 trouwden ze en vestigden zich - leuk om te weten - aan de Johannes Verhulststraat hier in Amsterdam. Vanaf 1913 publiceerde ze regelmatig in het tijdschrift Eenheid. Hieronder ziet u haar bundel:

Agnita Feis: Oorlog. Verzen in staccato. (1914) Litho's door Theo van Doesburg

In deze bundel vind ik dit gedicht uit 1915 een mooi voorbeeld van vormexperiment:

Twee tot drie woorden per regel, in twee kolommen gezet, met een vertikale streep er tussen, waardoor je de vierregelige strofen zowel horizontaal als verticaal kunt lezen; en zelfs diagonaal. Zo liep de historische avant-garde vooruit op de toekomst. Na de Tweede Wereldoorlog zal het invloed gaan uitoefenen, vooral door buitenlandse voorbeelden; in Nederland eerst clandestien in een eenmanstijdschrift als De schone zakdoek, onafhankelijk tijdschrift onder redactie van Theo van Baaren en Gertrude Pape 1941-1944, verhalen gedichten cadavres-exquis collages tekeningen foto's objecten; en pas dan met De Vijftigers en de rest. Het gedichtengedeelte van de bloemlezing wordt afgesloten met Marc Eemans: Vijf intrigerende erotische en poëtische vignetten uit zijn bundel Vergeten te worden (1930)

Hierboven ziet u de derde vignet met als titel de eerste regel: Je vlees plukken ...

Inclusief de gedichten in kleur telt de bloemlezing zo'n 180 pagina's. Het eerste gedicht van Albert Verweij is van 1913 en het laatste gedicht van H.N. Werkman is van 1932. Omdat alle gedichten chronologisch geordend zijn kan men de ontwikkelingsgang van de avant-garde goed volgen.

Na de gedichten volgen Manifesten en andere theoretische beschouwingen waarvan ik uit de eerste wil citeren om de lezer een idee te geven van de literatuuropvatting van Theo van Doesburg, Piet Mondriaan & Anthony Kok.

MANIFEST II VAN 'DE STIJL' 1920
DE LITERATUUR
[1920]

Het organisme van onze hedendaagschse literatuur teert nog ge-
heel op de sentimenteele gevoelens eener verzwakte generatie

HET WOORD IS DOOD

de naturalistische cliché's en de dramatische woordfilms
die de boekenfabrikanten ons leveren
per meter en per pond
bevatten niets van de nieuwe handgrepen van ons leven

HET WOORD IS MACHTELOOS

de asthmatische en sentimenteele ik- en zij-poesie
die overal
en vooral in Holland
nog gepleegd wordt onder de invloeden van een ruimteschuw
individualisme
gegist overblijfsel van een verouderden tijd
vervullen ons met weerzin

de psychologie in onze romanliteratuur
slechts berustend op subjectieve inbeelding
de psychologische analyse
en meer belemmerende spraakrethoriek
hebben ook de BETEEKENIS VAN HET WOORD GEDOOD
(...)

Paul van Ostaijen schrijft in zijn manifest OM BINNENKORT TE VERSCHIJNEN: 'SIENJAAL' IN BELGIË HET TIJDSCHRIFT VAN DE NIEUWE KUNST [1920]

Poëzie is woordkunst. Niet mededeling van emoties. Maar wel de vizie wordt gelokaliseerd door de vorm van het woord. Ook zeker niet mededeling van gedachten. Dichtkunst mededeling van gedachten! Waarom niet: dichtkunst een berijmde moraalkodeks! Een timmerman moet een goede tafel maken. Niet een zedelijke tafel, niet een ... ethiese tafel. Zo de dichter. Het in de zin van de dichtkunst goede gedicht alléen geeft de dichter eksistensrechtvaardiging. Ethies is de dichter niet door het thema, maar enkel door zijn standpunt tegenover de fenomenaliteit. Ethiek ligt in het streven van elk kunstenaar: streven naar ontindividualisering.

Zo zijn er ook nog de beschouwingen van H. Marsman, I.K. Bonset met GRONDSLAGEN TOT EEN NIEUWE VERBEELDING [1921] en TOT EEN CONSTRUCTIEVE DICHTKUNST [1923], Wies Moens, Paul van Ostaijen die in NOGMAALS POËZIE [1925] alleen Burssens als zijn kameraad erkent 'omdat hij, als ik, met woorden speelt als een jongleur met vuurfakkels'. En dan hebben we uiteindelijk ook nog Jan Demets, Jan Engelman & Albert Kuyle, I. Stam-Lebeau die, als laatste, zijn artikel als volgt eindigt: 'Uit de bewuste vernietiging der Schoonheid - en de daaruit groeiende bewuste opbouw, zal de nieuwe dichtkunst ontstaan.'

Dan dada doe uw werk! is het laatste deel in de Dada-reeks van Uitgeverij Vantilt. Eerder verschenen Tenderenda de Fantast van Hugo Ball, In den beginne was Dada van Raoul Hausmann, 7 dadamanifesten van Tristan Tzara,* En Avant dada* van Richard Huelsenbeck, Een avond in Cabaret Voltaire van Hans Arp e.a., Jezus Christus Quibus van Francis Picabia en Apologie van de luiheid en Pan Pan voor de Poeper van de Neger Naakt & Bar Nicanor van Clément Pansaers. Geweldig wat deze uitgeverij produceert.

Dan dada doe uw werk zou ieder dichtminnende en -schrijvende moeten hebben.
Wat deze bundel zo uniek maakt is niet alleen de bloemlezing maar ook het allerlaatste deel:
Nawoord, literatuur, dichters en bronnen dat zicht uitstrekt op vijf en twintig pagina's. Een overzicht dat veel duidelijk maakt over een tijdspanne in de poëzie waar we weinig van weten. De samenstellers van deze bundel geven in het hoofdstuk VERDER LEZEN een geweldig overzicht van alle werken over de Historische avant-garde in Nederland en België en over de Europese historische avant-garde; en als laatste over de DICHTERS EN BRONNEN zodat je precies weet wie ze allemaal zijn, deze vijftig bekende en onbekende dichters. En al bladerend door het dadaboek op zoek naar weer een nieuw gedicht weet je dat het nooit verveelt. Het is alsof je in een vliegmachine zit en van boven naar een woordenterrarium kijkt dat in de rondte draait of zich laat liggen in alle mogelijke posities van taalelementen, door elkaar heen, boven of onder elkaar; of weer gaat staan met strepen ertussen. Alles lijkt mogelijk in deze draaidans van woorden die heel vrolijk maakt.
En dan die prachtige afbeeldingen met tekst erbij van Marc Eemans die wellicht niemand kent en sterk aan Magritte doen denken.
Voor nog geen twintig euro zo'n inspirerend en vrolijkmakend dadaboek. Ik zou het niet laten liggen.

 

20-10-2015

'Wat mooi is, dat houdt je in leven', hoorde ik onlangs op tv een Franse schrijfster zeggen. Dit gezegde kwam bij mij op bij het lezen van Breyten Breytenbach. Deze dichter treft je in het gemoed omdat ieder gedicht van hem iets heeft dat je raakt en dwingt tot vele male lezen en herlezen met vaak een lach en bewondering. Geestig, ontroerend, meeslepend! Bijzonder hoe hij je blijft boeien, nooit verveelt. Hij had mij al meteen meegenomen toen ik deze regels las in de bundel In de loop van de woorden die nu voor weinig geld te krijgen is: vijftien euro. En mooi vertaald uit het Afrikaans door Laurens Vancrevel. Hieronder de eerste twee strofen van dit gedicht, die mij meteen troffen. En leest u zelf de rest maar ...

Breytenbach is zelf de 'nachttovenaar'. Iemand die jouw nacht verovert en niet meer loslaat. Voor wie het niet weet: Breytenbach is 16 september 1939 geboren in Bonnievale, een dorp dat op ongeveer honderd kilometer van het zuidelijkste punt van Afrika ligt.

‘Als B.B. alleen maar poëzie - meer dan duizend gedichten omvat zijn oeuvre op dit moment - had geschreven was zijn schrijverschap al uitzonderlijk en belangwekkend geweest, maar hij schreef in dezelfde adem ook verhalen, romans, reisjournaals, essays, toneelstukken, politieke analyses en manifesten, en tegelijkertijd schiep hij een wonderbaarlijk beeldend oeuvre van schilderijen, tekeningen en grafiek dat een eigen plaats inneemt in de hedendaagse kunst. Als hij nooit iets geschreven zou hebben, zou hij als beeldend kunstenaar stellig even bekend zijn geworden.’

Dit schrijft Vancrevel in zijn 'Bij wijze van nawoord' in de bundel De windvanger, 2007, door Uitgeverij Podium uitgegeven. En zó begint hij ook: als student aan de Michaelis School of Fine Art aan de universiteit van Kaapstad. In de jaren zestig van de vorige eeuw is hij in Parijs gaan wonen waar hij trouwde met een Franse vrouw van Vietnamese afkomst wier naam, Yolande Ngo Thi Hoang Lien, "Blauwe Lotus" betekent. Door dit huwelijk was het voor hem erg moeilijk terug te keren naar zijn geboorteland vanwege een wet die gemengde huwelijken voor Afrikaners verbiedt.

Hij is een felle tegenstander van de apartheid en medeoprichter van Okhela, een groep die, in ballingschap, in Frankrijk de apartheid bestrijdt. In 1975 bezoekt hij zijn land illegaal, wordt verraden, opgepakt en tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld. Zeven jaar later wordt hij onder druk van buitenaf weer vrijgelaten. Over deze periode is een prachtig boek ontstaan met de Engelse titel, The true confessions of an Albino Terrorist (1983), die in de vertaling De ware bekentenissen van een witte terrorist luidt, gevolgd door kanttekeningen, tien gedichten en het Okhela-manifest, vertaald door Gerrit de Blaauw en Adriaan van Dis, in 1984 door Van Gennep uitgegeven. Geweldig zoals Breytenbach de lezer zijn verhaal voorschotelt, geestig, onderhoudend, wijsgerig, nooit meelijwekkend. Een goede inleiding om zijn poëzie te begrijpen is dit 'document' zeker. Als kennismaking met de auteur en als terzijde wil ik bij voorbaat hierover beginnen om u iets van de geest van deze auteur te laten proeven.

Deel 1: De mond van stemmen en van aarde

waarin het ware verhaal wordt verteld, in woorden en in onderbrekingen, van een onnozele hals die in de antichambre van Niemandsland gegrepen werd; waarin een beeld wordt geschetst van de belangwekkende gebeurtenissen - waaronder zijn eerste proces, met optredens van diverse acteurs en clowns - die uit zijn arrestatie voortvloeien; waarin vervolgens wordt verhaald hoe en waarom onze hoofdpersoon naar het land van droefenis en zinsbegoocheling was gereisd; waarin de lezer wordt voorgesteld aan Skapie Huntingdon en zijn handlangers, aan een rechter, aan advocaten, verklikkers en helden; bevattende enige overdenkingen, ingegeven door schuldgevoel; alsmede een laaiende zonsondergang; bestaande uit veertien hoofdstukken, waaronder vijf inlassen:

En Deel 2: Herinnering aan de lucht

waarin eens getoond wordt hoe de eerste persoon erachter komt dat de Dood een structuur heeft; waarin we getuige zijn van een tweede proces, met een optreden van een schrijver die de vinger heft; waarin de lezer tot zijn pijnlijke verrassing verneemt hoe ver sommige mensen kunnen gaan om anderen van het leven te beroven, maar ook hoe sterk de drang tot overleven kan zijn; waarin de lezer voornoemd langs de weg van het begrip de doolhoven van de gevangenis betreedt; waarin wordt aangetoond dat er in handelen altijd niet-handelen is (woe-wei), en dat men tot het niet-hart van de beweging moet doordringen om stil te staan, want het verval weerlegt de wet van het verval; bestaande uit veertien hoofdstukken, waaronder zes inlassen:

De eerste inlas van Deel 1, waarin hij zich richt tot een onderzoeker, heeft een filosofische toon die de auteur in al zijn gedichten zal behouden en die het lezen van zijn poëzie zó aantrekkelijk maakt omdat alle thema's die met liefde, angst, leven en dood, dichten, bomen en vogels te maken hebben zijn verzen blijvend zullen doordringen. Je wordt helemaal ingepalmd door deze reus van onze moderne poëzie. Hieronder dus wat al meteen boeit:

Onder dit document staat de naam Breyten Breytenbach. Dat is mijn naam. Maar ik heb er nog meer; wat is tenslotte een naam? Vroeger heette ik Dick; soms noemden ze me Antoine; bepaalde mensen kennen me als Hervé; andere als Jan Blom; op zeker ogenblik heette ik Christian Jean-Marc Galaska; daarna was ik weer de professor; daarna Mr. Bird. Al deze verschillende namen met hun verschillende betekenissen waren etiketten die op stuk voor stuk verschillende mensen geplakt zaten. Want, meneer de onderzoeker, als er één ding is dat me in de loop van de jaren meer dan duidelijk is geworden, dan is het wel dit: dat het onmogelijk is om iemand een naam te geven en hem daarna voor altijd vast te leggen.

De tweede inlas van Deel 2 zegt veel over de geesteshouding van deze auteur. Hij droomt dat hij weer terug moet naar de gevangenis 'om de twee jaar die ik ze nog schuldig ben uit te zitten.' Hij stelt zichzelf de vraag: ‘Maar waarom voelde ik me zo ontredderd?’

Door het idee dat ik mijn vrijheid zou verliezen? Nee - ik heb geleerd dat een muur iets relatiefs is. Er is niet meer vrijheid buiten dan binnen. Mijn vrijheid is totaal. Bedroefd omdat ik gescheiden leefde van iemand die me dierbaar is? Nee - die zeven jaren hebben me geleerd om te zijn als een os die de ploeg trekt: iedere moeizame stap is als een lichtflits van het hart dat ze nooit kunnen verwoesten. En ik was een fatalist: ik wist dat ze de macht bezaten om me opnieuw weg te voeren. Ik was niet bang voor de gevangenis.

Jammer dat dit boek alleen antiquarisch te krijgen is. Als je hier eenmaal aan begint dan is het onmogelijk te stoppen. Hangend aan zijn woorden lees je door en wil je meer weten. Hoe gaat dit verder? Hij geeft het antwoord bij de kanttekeningen (p.385):

Die woord is 'n engte. Het woord is een engte; een strook land tussen twee donkere oceanen; een tong. Het woord is ook een begrenzing. Toch is het de enige weg die ik ken, de enige ruimte. Ik besef nu dat het voorafgaande document zelf een kier van vrijheid voor mij is. Ik moest het schrijven. Ik moest mezelf zuiveren, en ik moest het doen voor de herinnering zelf verduisterd wordt door de vervorming van de tijd.

En hij eindigt met gedichten waarvan ik de eerste regels citeer (p.413, 417,421):

aan het begin: aan het begin van het gedicht zijn we weer/ zoals altijd/ aan het einde van alle tijden; er is in elke man: er is in elke man een vrouw/ een pijn, als een bloem vol geur/ zelfs in je diepste dromen kan je het niet aanraken/ zoals de lijnen van de kaart vol land zijn/ of water; sluit je ogen: sluit je ogen: je bent in mijn woorden/ de vlammen zijn mijn mond: in de mondoven/ worden de woorden wit: wat is dan de waarde?

Dit magistrale boek wordt in 1983 geschreven nadat hij naar Frankrijk is teruggekeerd en door François Mitterand tot Frans staatsburger is gepromoveerd.

In 2004 verdeelt hij zijn tijd tussen Europa, Afrika en de Verenigde Staten waar hij sinds 1998 werkzaam is als bijzonder hoogleraar Creative Writing aan de New York University. Sinds 2000, is hij ook gastdocent psychologie aan de Universiteit van Kaapstad. En om het beeld van deze allesdoener nog completer te maken, moet gezegd dat hij hoogst betrokken blijft bij het Gorée-instituut, gevestigd vlak voor de Senegalese kust bij Dakar, waarvan hij de oprichter en bedenker is en waar hij conferenties en workshops blijft organiseren om de culturele samenwerking in Afrika te bevorderen.

In het tiende jaargang van Literatuur (Amsterdam UP, 1993) staat dat de introductie van Breytenbach in Nederland omstreeks 1970 plaatsvond, dat wil zeggen in een periode dat bepaalde acties en maatregelen de relaties tussen Nederland en Zuid-Afrika begonnen te domineren.

‘Omdat Breytenbach, mede op grond van door hem zelf gedane uitspraken betreffende zijn verhouding tot zijn geboorteland, werd gezien als dissident, en omdat dissidente schrijvers en intellectuelen in deze jaren geliefde nieuwsobjecten voor de media waren (men denke aan Solzenitsyn, Brodski, Neruda, Pramoedya Toer en anderen), vond er in de receptie van zijn werk een verenging tot de politieke betekenis plaats.’

Dit schrijft Jaap Goedegebuure over deze schrijver in zijn artikel getiteld ‘De weerklank wordt door de situatie bepaald’.

Toen Breytenbach in 2005 met het ‘schrijfboek’ Intieme vreemde kwam, zag hij de gebeurtenissen van 11 september als een uitdaging voor het vak. ‘We mogen wel dankbaar zijn dat deze katalysator onze waarden opschudt, onze gewaarwordingen scherp stelt, onze prioriteiten herschikt, ons herinnert aan onze beperkingen en ons opnieuw bevestigt in de overtuiging dat het woord zich kan uitstrekken om de verschrikkingen en de complexiteiten van de werkelijkheid te weerspiegelen.’ Dit komt uit de pen van Toef Jaeger in het NRC Handelsblad van 12 september 2008 in zijn artikel ‘De Woorddwaas is een Somberman’. Van deze aanslag maakte Breytenbach een gedicht dat later is opgenomen in De windvanger: Gedichten 1964-2006, met vertalingen van Krijn Peter Hesselink, Laurens Vancrevel en Adriaan van Dis. Deze bundel is één in Zuid-Afrika bekroonde keuze van negentig gedichten uit zijn oeuvre. Met dit gedicht krijgt u een goed gevoel over een uitzonderlijk dichter die in woorden wil vastleggen wat er die dag is gebeurd.

Het nawoord van De windvanger, getiteld ‘De creatieve bewegingen van een vrije geest’, is zoals vermeld van de hand van Laurens Vancrevel. Beter dan wie ook, geeft hij een totaalbeeld van deze kunstenaar die zelf in 1996 in een essay schrijft: “Poëzie is geen kunstvorm, ze is een levensdiscipline, een proces.” ‘Daarbij doelde hij zeker op zijn eigen poëzie, al is het een criterium dat hij op alle poëzie toepast. Dat credo gaat in tegen de gangbare opvatting dat een gedicht (en in het algemeen elk kunstwerk) een geïsoleerd organisme is, een los esthetisch 'ding'. Breytenbach verdedigt daarentegen de stelling dat kunstwerken spiegels, instrumenten zijn waarmee het inzicht in de werkelijkheid en het leven kan worden vergroot." Zo schrijft Laurens Vancrevel in zijn nawoord over het credo van Breytenbach.

In het NRC van 12 september jl. geeft Elsbeth Etty, grasduinend door de stapel nieuw binnengekomen boeken, in haar artikel getiteld ‘Over let lot van de mens’ haar eerste indruk over de bundel waarmee ik begon en wil eindigen en die zeer onlangs door Koppernik is uitgegeven. Zij schrijft:

‘Al verscheidene malen heeft Breyten Breytenbach verklaard dat hij niet meer wil schrijven in zijn moedertaal, het Afrikaans, dat door veel Zuid-Afrikanen (zie de recente rellen op de universiteit van Stellenbosch) als de taal van de apartheid wordt beschouwd. Gelukkig blijkt de grote anti-apartheid-dichter het niet te kunnen stellen zonder “de taal die ik mij herinner uit mijn jeugd”. Onder het pseudoniem Blackfire Buiteblaf publiceerde Breytenbach eind 2014 in Kaapstad twee cycli en twee losse gedichten uit zijn eerdere bundel Oorblyfsel. Onder de titel In de loop van de woorden vertaalde Laurens Van Krevelen het melodieuze Afrikaans van Breytenbach in zangerig Nederlands, dat er niet om liegt.’

Zij citeert één van de vier gedichten, in minuscule letters te lezen, als volgt tussen twee haakjes gezet en getiteld ‘(de schrijfdaad)’:

ik schijt in mijn hand
heel dit land
overvloedig en warm
geef ik aan jou
was ik ooit
guller dan nou?

Ik kies van de serie ‘(de schrijfdaad)’de laatste:

maar de hand maakt een zang
van de voorbijgang
van de dingen

zoals het uitwissen van woorden
het verdwijnen van banen en daarmee
het afdanken van arbeiders
doorgaan

Zo dicht deze auteur over het leven dat voortglijdt en de dagelijkse dingen die de mens treft; en geen woord teveel! Ik vind al zijn gedichten juweeltjes, kostbaar en fijn om dagelijks te dragen; en ik ga door met mijn keuze uit dat prachtige gele bundeltje, tweeënvijftig bladzijden dik, dat iedereen in zijn binnenzak gaat steken als hij zich frequent door echte poëzie wil laten verrassen, bijvoorbeeld dit:

De verbeeldingswereld van de dichter wordt hier beheerst door de gedachte aan een nieuw seizoen dat een vleugelvertrek aankondigt met daarbij de zon die gaat baren en de mens die 'het vleeskleed' verslijt: natuur, zon en mens metaforisch nauw met elkaar verweven. Daarnaast staat prachtig geestig verwoord het hoe van het arbeiden van de dichter op zoek naar rijm, klank en resonantie 'om de schemerschijn van betekenis in de lucht te laten hangen'. Humor die de lezer van deze regels niet meer los kan laten en dus blijft hij lezen.

Het volgende gedicht '(stilte)' stelt twee werelden tegenover elkaar - die van de mens en die van het heelal (een gigantisch universum met berg, lucht en maan) - en laat de maan het werk doen, als beeldhouwer van al het door de mens geschapene. Est-ce cela le surréalisme dont a rêvé Breton? Demandez-lui!

Omdat je aan deze poëzie verslaafd raakt is het moeilijk ermee te stoppen. Je wil luidkeels schreeuwen dat Breytenbach de dichtkunst is, zoals het zou moeten, de lezer achterlatend met gevoelens van verwondering, als een kind, door een illusionist betoverd, zich blijft afvragen 'hoe doet hij dat?'; en iedere dichter laat zitten met de vraag: ‘Is het nog wel poëzie wat ik maak?’ Nog twee gedichten om u te overtuigen:

Een web van woorden die een interactie tot stand brengt die ons onbekend is, soms duizelig maakt, maar altijd weer aantrekt omdat het ons verbindt met wat in ons onderbewustzijn leeft, soms boven komt en als wij zouden weten hoe dromen in woorden om te zetten, dan zou deze surrealistische dichter ons heel vertrouwd worden.

Wist u dat deze auteur voor zijn arrestatie in 1975 al driemaal te gast was geweest bij Poetry International in Rotterdam, en vorig jaar ook aanwezig was. En in september 2007 de openingstoespraak verzorgde van een driedaags symposium over censuur in Amsterdam? Wist u dat hij zo'n twintig prijzen heeft gewonnen? Dat er veertien bundels van hem in het Nederlands zijn vertaald? En wat deze poëtische reus allemaal heeft geschreven, dat kunt u natuurlijk zelf opzoeken. U zult misschien ook zijn lange brief aan Ariel Sharon kunnen vinden of lezen over zijn relatie met Nelson Mandela. Of zijn artikelen in het NRC Handelsblad *die zeer de moeite van het lezen waard zijn. In de jaren negentig van de vorige eeuw verschenen ze regelmatig in die krant. Dan zult u weten dat hij eigenlijk overal in deze wereld altijd aanwezig is. Dat hij zijn lezers vragen stelt die aan het denken zet. Dat over zijn leven een film is gemaakt die als titel heeft *Visions from the Edge. Je kunt rustig zeggen dat Breytenbach de allerbelangrijkste dichter van onze tijd is; eigenlijk zoals Brodsky het was in de tweede helft van de vorige eeuw.

Ik besluit dit stuk met de vragen die hij in het NRC van 29 mei 1992 in zijn artikel ‘De chrysant is een menselijke emotie’ stelde:

’Vormen wij onszelf tot een riet door te denken - of wordt het denken op gang gebracht en bepaald door ons riet-zijn? Kan er ook lucht-denken, rat-denken, wortel-denken bestaan - net zoals het riet zich tot een afzonderlijk zijn denkt? Weet u zeker, als u huivert, dat niet de wind u beweegt? Met andere woorden, is ons besef van bewustzijn niet afhankelijk van een achterdoek van niet-bewustzijn? (...) Maar wanneer wij aard-wezens ons anders-zijn onder woorden brengen, vervreemden we daardoor dan niet van onze omgeving? Houdt denken ontheemding in? Hoe komen we weer tot elkaar? Kan het riet zichzelf ont-denken? (…) Er wordt wel gesteld dat het universum, en dus ook onze wereld, voortdurend zichzelf schept. Dit moeten we in samenhang zien met de oude Chinese gedachte dat wij allen betrokken zijn bij de continue schepping van een universum dat bestaat, en voltooid is, eens en voor altijd. Als dat zo is, dan is ons bestaan de eeuwige op- en ondergang van leven en dood, zon en maan, het Andere en ik, cultuur en natuur - en dan is ons enig mogelijk streven dat naar harmonie, een harmonie die geen ethische lading kan hebben, want we zijn slechts in- en uitgaande adem. Maar hoe kunnen we dat weten? De woorden die ik schrijf komen tot mij door het ruisen van ander riet - en wat zijn de begrenzingen van onze eigen vindingen en verwachtingen?’

Veel om over na te denken. Ik raad u aan om de bundels die wij bij Perdu nog hebben snel aan te schaffen. En de titels spreken aan: Cadavre exquis met poëzie en tekeningen (Brumes Blondes, 2005) en Inde loop van de woorden. Dit titelgedicht vindt u in twee verschillende versies in de bundel. De versie die ikzelf het mooiste vind is op de achterflap te lezen. En als u zin heeft in de letter 'm' dan zou ik zeker pagina 7 lezen van deze bundel:

’... de morbide morfologie van woorden die met een m beginnen, de weeën van moorden, een vreemde maantrekkingskracht, mijn mooiliefje in de moerbeiboom, de mogels doe zo muitelen in de memel, ....’

Hoe verzin je zoiets? Zijn hele poëzie is een aaneenschakeling van woordvondsten, verrassende wendingen en gedachten die je leven verrijken. Over mijzelf en Breytenbach kan ik het volgende zeggen: het is mij de afgelopen jaren nog nooit overkomen dat ik van een dichter alles wat ik in handen kreeg ononderbroken zo graag wilde lezen, en nog eens, en nog eens, ... En het zal nog even duren voordat dit overgaat. Wat heb ik genoten van deze filosoof en geniale woordtovenaar! Hij heeft het denken over poëzie veranderd. En niet zo'n beetje! Dat is wat 'echte' poëzie doet.

 

7-9-2015

Op 18 september zal Perdu ons verwennen met Paul Rodenko (1920-1976). Dichters zullen ons op het openingsprogramma van het nieuwe seizoen de vraag voorleggen: wat is experimentele poëzie vandaag? Uitgangspunt voor de avond is de bloemlezing van Rodenko met de sprekende titel Met twee maten. Van deze auteur heb ik drie dichtbundels: Gedichten, bij de Windroos in 1951 uitgekomen, Stilte, woedende trompet bij Bert Bakker in 1959, en de tweede druk van Orensnijder tulpensnijder: verzamelde gedichten uit 1973 bij de Harmonie. De laatst genoemde bundel omvat zes hoofdstukken: 'Gedichten', 'Silte, woedende trompet', 'Hij', 'Brandpunten', 'Verspreide gedichten' en 'Kleine Haagse suite'. Hierin vond ik een oud krantenknipsel van Hans Warren uit Vrij Nederland, gedateerd 26 juli 1975. Dit bericht wekt al meteen bij lezing ieders belangstelling: 'Rodenko schreef in 1944 reeds gedichten die voor die tijd, en zeker in Nederland, ultra-modern waren, en die reeds volkomen in praktijk brachten wat de Vijftigers nastreefden en dachten te ontdekken.' Verder lezen we dat Gedichten uit 1951 zeer gewaardeerd werd, zijn tweede bundel nauwelijks.

Hij was vooral bekend als essayist en samensteller van bundels als Nieuwe griffels, schone leien uit 1955 en Gedoemde dichters, van Gérard de Nerval tot en met Antonin Artaud, een bloemlezing van les poètes maudits door hem samengesteld en ingeleid, in 1957 door Bert Bakker uitgegeven. Wij weten dat van hem vijftien andere bundels in de Nederlandstalige boekenreeks van de Ooievaartjes van Bert Bakker zijn verschenen, waaronder Tussen de regels: Wandelen en spoorzoeken in de moderne poëzie (1956) en Voorbij de laatste stad (1955), een bloemlezing van Gerrit Achterbergs poëzie met een inleiding door Paul Rodenko .

Vreemd dat deze juweeltjes in mini-pockets zijn uitgekomen en dat nergens zo goed is geschreven over 'Experimentele Poëzie', een term die in 1949 is gelanceerd door een kleine groep Amsterdamse dichters, namelijk Jan Elburg, Gerrit Kouwenaar, Lucebert en Campert, die aansluiting zochten bij de Cobra-groep. In bredere zin spreekt men natuurlijk van 'experimentele poëzie' wanneer de constructieve waarden van klank, beeld en metrum die van de levensbeschouwelijke boodschap domineert. Dat weet iedereen wel zo'n beetje. En ja, dan schrijft Rodenko dat Gezelle als de eerste avant-gardist kan worden beschouwd.

Maar mij interesseert vooral zijn poëzie en zijn ontwikkeling van existentialist tot surrealist.

Over het poëtische oeuvre van deze dichter is geschreven door Koen Hilberdink. Ik ben een vreemdeling. Ik sta apart. Een biografie van Paul Rodenko (1920-1976) dat in 2000 bij Meulenhoff is uitgebracht, 439 pagina's dik. En door Odile Heynders in Langzaam leren lezen: Paul Rodenko en de poëzie dat in 1998 bij Syntax Publishers in Tilburg uitkwam. Beiden analyseren de gedichten – een zestigtal – van de drie boven genoemde bundels en beginnen met het eerste gedicht uit de bundel van 1951. Een opvallend gedicht:

http://perdu.nl/site/assets/files/7173/rodenko_gedicht_1-1.900x600.jpg

Wat wil R. met zo'n gedicht? Zich opsluiten met twee personen, zes voorwerpen en twee fenomenen? Spelen zij samen of zijn ze in het leven van de dichter verdoemd tot elkaar? 'jij' en 'ik'. Dat is niet zo vreemd. In de lyriek spreekt de dichter vaak zijn gemoedstemming uit tegen een 'jij'. De zes voorwerpen vallen op door hun alledagelijksheid en van de twee fenomenen trekt de eerste je aandacht: gaat het om traagheid van schrijven? Het tweede is minder vreemd want treedt regelmatig op in de moderne dichtkunst. Heeft de poëet hier impliciet zijn schrijversopvatting geschetst?

In het gedicht 'Dichterschap' dat daarop volgt is de derde strofe wat dit betreft het interessantst:

(…)

neemt de dichter, als een kil lancet,
met tegenzin de pen ter hand:
het blad kijkt hem venijnig met
gelei-gesteelde ogen aan.
Nog aarzelt hij. Het licht
wordt wezenloos als traan;
de stilte staat pal op zij borst gericht.
Dan krast hij stom de woorden neer
(één woord per uur),
waarin de dingen als een zweer
moeizaam etterend opengaan.

'Hier moet de dichter zijn pen hanteren als het vlijmscherpe mesje van een chirurg', schrijft de filosofe Odile Heynders in haar essay over Rodenko, en ik citeer:

Dit mesje is als Plato's pharmakon tegelijk geneesmiddel en vergif: het maakt kapot om te genezen. 'Destructie is constructie', schreef Rodenko in zijn essays. De dichter schrijft met tegenzin en beschouwt het papier als zijn vijand. Uiterst langzaam, terwijl het licht en de stilte hem zwaar vallen, krast hij een woord op het vlak. En na dat woord een volgend, heel langzaam, één per uur. Uiteindelijk is er dan geen mooi gedicht ontstaan, maar zijn er zinnen tot stand gekomen die vies zijn als een openbarstende zweer. Het gedicht is niet vanzelf te voorschijn gekomen, maar met pijn en moeite gemaakt.

Zij schrijft over deze bundel die uit twee afdelingen bestaat: 'Kamerpoëzie (1944-1947) en Arabisch (1947- 1950) waarvan de eerste afdeling uitdrukking geeft aan een existentialistische levensbeschouwing en de tweede gedichten bevat van meer experimentele aard.' Deze twee onderstaande gedichten doen inderdaad veel denken aan L'étranger van Camus:

VREEMDELING

Ik ben een vreemdeling.
Ik sta apart.
Elk ding
zwelt tot een klam gezicht.
Ik tors het licht.
Het is stijf als een drenkeling.
Ik ben alleen.
Mijn moegerekte hart
staat steil gericht:
een meterhoge klarinet.
Maar geen geluid haalt grond in het
star zwijgen om mijn heen.

En de tweede strofe van het gedicht 'Strand' schetst 'de dichter' liggend 'geketend in het zand':

(...)

Ik lig geketend in het zand
en hoor het bonzen van gitaren
tegen de deuren van de nacht
en hoor je hoge hese praten.
Je lijf staat donker in het licht.
Ik ruik de brandlucht van je schaduw
en voel een onderhuidse pijn.
Je benen zijn twee zwartgeblakerde pilaren
in een vergane stad.

Misschien is het voor u interessant om te weten met wie wij precies te maken hebben.

Paul Thomas Basilius Rodenko is op 26 november 1920 in Den Haag geboren. Hij heeft een Russische vader (Iwan Rodenko, ingenieur) en een Anglo-Nederlandse moeder (Adriana Maria Helena Sheriff). Hij trouwt op 16 mei 1953 met Albertine Henriette Schaper ('Jettie'), die onder het pseudoniem Juliette Hoornbeek publiceert. Uit dit huwelijk worden een zoon en een dochter geboren. Hij brengt zijn jeugd in Den Haag door waar hij in 1934 het Haagse gymnasium bezoekt nadat hij zijn lagere school in Riga (Estland) had gevolgd. In 1943 duikt hij onder. Hij bestudeert gedurende enige tijd literatuurwetenschap en Slavische talen in Leiden, daarna psychologie in Utrecht; en schrijft dan zijn eerste verzen in clandestiene tijdschriften Maecenas (Den Haag) en Parade der profeten (Utrecht). Deze bladen werden na de bevrijding voortgezet in een van de eerste nieuwe naoorlogse letterkundige tijdschriften Columbus. In dit tijdschrift verschijnt in nr.1 zijn gedicht 'Wandelingen' en in nr.3 'Nacht en Bommen', beide later opgenomen in de afdeling 'Kamerpoëzie'. En boeiend is beslist vooral het laatst genoemde gedicht doordat Rodenko in de slotstrofe van dit vers de techniek van het tegengestelde gebruikt om het lawaai van inslaande bommen een vervreemdingseffect te geven, want wat opvalt is de stilte en de orde der dingen. En dan de rode vlag die niet door mensenhanden maar door huizen wordt opgehesen. Rood van de inslaande brand of rood van de victorie? En dan te weten dat het huis van de Rodenko's in Den Haag bij het bombardement helemaal werd vernietigd en dat een deel van zijn huis in Zutphen door een brand in vlammen is opgegaan.

BOMMEN

De stad is stil.
De straten hebben zich verbreed.
Kangeroes kijken door de venstergaten.
Een vrouw passeert.
De echo raapt gehaast
haar stappen op.

De stad is stil.
Een kat rolt stijf van het kozijn.
Het licht is als een blok verplaatst.
Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein
en drie vier huizen hijsen traag
hun rode vlag.

Rodenko brengt meteen na de oorlog enkele jaren in Parijs door, waar hij zich intensief met het surrealisme en het existentialisme bezighoudt. Hij is zich al voor het optreden van de Vijftigers bewust van de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog op de literatuur. Zijn essays getuigen van een buitengewone eruditie. Door zijn veelzijdige belezenheid en zelfstandige verwerking van de Europese poëzie in het algemeen weet hij de vernieuwingen in de Nederlandse poëzie in de jaren vijftig moeiteloos te plaatsen in een breder Europees verband. Beroemd worden dan zijn beschouwingen over onder anderen Gerrit Achterberg en Hans Lodeizen. En hij vertaalt uit het Russisch, Frans, Duits en Engels en kent de poëzie uit deze talen maar al te goed. Tot 1951 is hij ook redacteur van Columbus, het tijdschrift waarin veel van de zogenaamde 'experimentele' dichters, de vijftigers, hebben gepubliceerd.

We lezen in de biografie van Koen Hilberdink het volgende: 'Willem Frederik Hermans, mederedacteur van Podium en in die jaren ook bondgenoot van Rodenko, schreef in 1963 in Mandarijnen op zwavelzuur: “Paul Rodenko was in 1946 onbetwistbaar de meest experimentele van alle dichters die toen in hoofdzaak sonnetten bakten. Hij was bovendien van alle personen die ik in die tijd ontmoette, degene met de meest interessante belezenheid. Ik bewonderde Paul. Zijn eerste gedichten bewonder ik nog altijd.".'

Het aardigste stuk over deze schrijver is eigenlijk te lezen in het het dikke rode boekje dat Meulenhoff in 2012 uitbracht onder de titel: Piet Calis, Literaire vriendschappen en andere misverstanden. Neem bijvoorbeeld dit: 'Toen ik in 1963 in zijn huis in Den Haag uitgebreid met hem sprak over zijn poëzie, vertelde Rodenko me: "Wat mijn gedichten betreft heb ik grote invloed ondergaan van Paul Klee als schilder.".' Klee is voor hem iets 'als marihuana voor een jazzmusicus'. En we lezen dat voor hem het maken van een gedicht 'een soort yoga-oefening is': 'je begint ergens onderaan en moet met behulp van een voortdurende concentratie een heel ander punt bereiken. Dat gebeurt door het tegen elkaar afwegen van woorden en beelden. Daardoor bereik je een andere staat van bewustzijn.' Ik moet hieraan denken als ik in de afdeling 'Arabisch' het gedicht 'De dichter' lees waarin hij de dichter heel beeldend beschrijft, heel anders dan in 'Dichterschap' uit de afdeling 'Kamerpoëzie'. Ik citeer de eerste drie strofen en de laatste:

http://perdu.nl/site/assets/files/7173/rodenko_gedicht_2-1.900x600.jpg

Koen Hilberdink schrijft hierover:

De eerste strofe roept de tekening van Leonardo da Vinci van de uomo universale in herinnering: de bijna aan God gelijke man die met zijn armen en benen gespreid in een cirkel staat. De dichter in dit gedicht heeft bepaalde universele krachten. 'Ik ben uw klok'. Hij ziet het als zijn opdracht om de lezers/toehoorders te tonen op welk moment zij leven. Maar hij is meer. In de derde strofe ontwerpt de spreker ook allerlei absurde beelden om daarmee aan te geven dat hij alles is waartoe de taal hem in staat stelt. En juist in dat alles kunnen zijn en in het tegenstrijdig zijn, is hij te herkennen als dichter: ‘Zo heb ik u herkend. / Zo hebt gij mij herkend’.

En dan vervolgt hij:

Meer dan de Vijftigers haakt hij aan bij de Franse en Angelsaksische modernistische poëtische traditie van zowel surrealisme als intellectualisme. Rodenko experimenteert met het woord, maar doet dit, in vergelijking tot bijvoorbeeld een dichter als Lucebert, minder als taalvernieuwer dan als taalgebruiker, dat wil zeggen dat in zijn werk geen neologismen worden ontworpen en aanmerkelijk minder absolute metaforen voorkomen. Ook valt op dat veel van deze gedichten contemplatief zijn: er ligt een filosofische gedachte ten grondslag aan de esthetische en intellectuele communicatie die de dichter tot stand wil brengen.

Stilte, woedende trompet is in 1959 gepubliceerd door Bert Bakker / Daamen N.V. in Den Haag. Deze bundel is opgebouwd uit vijf cycli: ‘Het strelende’, ‘Het stromende’, ‘Tweekoppige zomer’, ‘Schouwspel voor niemand’ en ‘Besneeuwd landschap’. Hier gaat ook weer een programmatisch gedicht vooraf, getiteld 'Robot poëzie', dat een soort oproep aan de dichtkunst zelf is. Ik citeer het in z'n geheel:

ROBOT POËZIE

Poëzie, wrede machine
Stem zonder stem, boom
Zonder schaduw: gigantische
Tor, schorpioen poëzie
Gepantserde robot van taal-

Leer ons met schavende woorden
Het woekerend vlees van de botten schillen
Leer ons met nijpende woorden
De vingers van 't blatend gevoel afknellen
Leer ons met strakke suizende woorden
De stemmige zielsbarrière doorbreken:
Leer ons te leven in 't doodlijk luchtledig
De reine gezichtloze pijn, het vers

Het is alsof de taal in de mens moet gaan zitten en zijn ledematen en organen moet aantasten. De dichtkunst met zijn emoties en gevoelens maakt plaats voor een poëzie die als een robot de mens leegzuigt en pijn moet doen. Ligt hier een filosofische gedachte aan ten grondslag? Moet poëzie pijn doen? 'Echte poëzie heeft met waanzin en dood te maken, je moet het gevoel hebben dat de dichter ieder ogenblik gek zou kunnen worden of zelfmoord plegen.' Dit antwoordt Rodenko in het interview met Van Deel en Fokkema een jaar voor zijn dood, als hem gevraagd wordt wat ‘echte’ poëzie is. In vele essays heeft hij uitgelegd dat deze visie voor dichters als Baudelaire, Apollinaire en Artaud de drijfveer is geweest achter hun werk. Veel aandacht heeft hij geschonken aan de paradox dat de dood met dichten samenhangt, dat door het dichten de dood op afstand wordt gehouden, en dat de dichter alleen leeft als hij schrijft.

Ik wil eindigen met het gedicht 'Afscheid' dat ik surrealistisch vind en dat door zijn ritme en herhalingen een liedje had kunnen zijn. Dit eerste gedicht van deze cyclus getiteld 'Schouwspel voor niemand' staat hieronder:

Straten van tempera
Wolken van tin
Op de buik van de dag
Kruipt een eenzame spin

'k Draag de horens der stilte
Mijn handen verschroomd
Je staat in mijn bloed
Als een apebroodboom

Straten van tempera
Wolken van tin
Niets heeft er een einde
En niets heeft een begin

De bal van je adem
Op 't hete perron
Ligt naakt op mijn tafel
Ondragelijk rond

Mijn hart is een boek
In een taal zonder zin
Op de buik van de dag
Kruipt een eenzame spin

Paul Rodenko heeft als dichter altijd een aparte plaats ingenomen: 'Ik ben een vreemdeling. Ik sta apart.', lezen wij in het gedicht 'Vreemdeling'. Hij is nooit als een existentialistisch dichter erkend; hij staat eigenlijk heel eenzaam in Poëzieland. Maar de thematiek van zijn gedichten heeft altijd iets met lichaam of bestaan te maken; en ook in de latere gedichten zoals het gedicht hierboven maakt hij gebruik van surrealistische voorstellingen die vanuit het onderbewustzijn een heel eigen lading krijgen: 'De bal van je adem / Op 't hete perron / ligt naakt op mijn tafel / ondraaglijk rond' en 'Mijn hart is een boek / In een taal zonder zin / Op de buik van de dag / kruipt een eenzame spin'. Zijn manier van schrijven doet eenvoudig aan maar de beelden die hij gebruikt krijgen altijd iets verrassends en iets heel eigens dat met onze existentie te maken heeft: 'Niets heeft er een einde ? En niets een begin.'

Rodenko, de eenzame vreemdeling die altijd een Rus heeft willen zijn en met geen dichter te vergelijken is, vind ik bovenal een existentialistisch dichter die in zijn latere gedichten interessanter wordt omdat het lijkt alsof hij zijn geest de vrije loop laat, zijn verstand vaak onderdompelt in de wateren van het onderbewuste; dan komen stromen van zinnen, ideeën en beelden in hun naakte oorspronkelijkheid naar boven zonder interpunctie. En de lezer laat zich meeslepen in zijn schrijverswereld over 'taal' en 'woorden' met mooie autonome gevoelsvoorstellingen. Weet u wat zijn pseudoniemen zijn? Raoul Donek en Juan Paro.

 

31-8-2015

Wat opvalt, als je ziet wat Boekhandel Perdu heeft van de dichter die ik zal bespreken, is dat de meeste bundels in het Nederlands van hem 'momenteel niet beschikbaar zijn'. In het Engels hebben we er drie. In de boekhandel vindt u van hem een rijk boek dat 59,90 kost en in juni jl. bij de Bezige Bij is uitgekomen. Over wie heb ik het? Over de Russisch-Amerikaanse dichter Iosip Aleksandrovich Brodsky (1940-1996) genaamd Joseph Brodsky wiens bundel getiteld Strohalmen voor de lezer zo'n achthonderd bladzijden telt, waarvan de laatste honderd annotaties zijn. Het is vertaald door Margriet Berg, Jan Robert Braat, Anneke Brassinga, Arie van der Ent, Marko Fondse, Gents Collectief van poëzievertalers, Arthur Langeveld, Leidse slavisten (met Karel van het Reve), Anne Stoffel, Charles B. Timmer, Kees Verheul, Werkgroep van het Slavisch Instituut van de Universiteit Utrecht (met Arthur Langeveld), Marja Wiebes en Peter Zeeman. Kees Verheul, slavist, schrijver en vertaler, verzorgde de redactie, de samenstelling en de annotaties ervan. Ikzelf had al jaren Ex Ponto, Gedichten 1961-1996, ingeleid, gekozen en vertaald door Peter Zeeman, in de kast staan, en had mijn zinnen gezet op een aantal gedichten waaronder dit hieronder, vertaald uit het Engels en 1995 gedateerd. Ik laat u de versie lezen van Anneke Brassinga die voor Strohalmen voor de lezer al zijn Engelse gedichten heeft vertaald.

ODE AAN BETON

Je zult mij overleven, m'n beste beton,
zoals ik anderen achter me liet
die mij ook zagen als een bastion:
stoere blik, kin van graniet.

Dus niet uit afgunst, maar als bloedverwant
prijs ik je onbezielde, poreuze uiterlijk,
ik, iets minder duurzaam, opgebrand,
maar m'n ontwerpers nog steeds erkentelijk.

Jouw afkomst is laag, om precies
te zijn zinloos maar wel aansluitend bij
wat de aard van jouw bestemming is:
abstract en ver – te ver voor mij.

't Is niet dat niets zichzelf gewint
maar dat de toekomst eigenlijk alleen
uit wil met een vrouw die hij niet kent,
een die gekleed gaat in een jurk van steen.

Uit de winkel nam ik ook de Engelse editie mee, 540 bladzijden dik, getiteld Joseph Brodsky Collected poems in English met op de cover een prachtige afbeelding in kleur van de dichter, zittend op een bank die tegen een huis staat. Dit is de eerste paperback editie uitgegeven bij Farrar Straus & Giroux in 2012. Niet duur geprijsd, sinds april bij ons in huis. En ook zoals bij de Nederlandse editie voorzien van zo'n vijfendertig bladzijden notities. Deze uitgave heeft als voordeel dat je bijvoorbeeld te weten komt dat het geciteerde gedicht voor het publiek verscheen als 'Ode to concrete' in The New Republic, 27 mei 1996, een krant met een rode cover getiteld 'Who will rule Russia'. Dit gedicht was al een jaar eerder door Brodsky in het Engels geschreven en vertaald door Peter Zeeman met wie de dichter een goede relatie heeft. Deze Russisch-Amerikaanse dichter schreef moeiteloos in beide talen. Hieronder, de versie uit de Amerikaanse bundel:

ODE TO CONCRETE

You 'll outlast me, good old concrete,
as I've outlasted, it seems, some men
who had taken me, too, for a kind of street,
citing color of eyes, or mien.

So I praise your inanimate, porous looks
not out of envy but as the next
of kin–less durable, plagued with loose
joints, though still grateful to the architects.

I applaud your humble – to be exact,
meaningless – origins, roar and screech,
fully matched, however, bij the abstract
destination, beyond my reach.

It's not that nothing begets its kind
but that the future prefers to court
a date that's resolutely blind
and wrapped in a petrified long skirt.

Ook vond ik de volgende gedichten zo aantrekkelijk dat ik ze vaak las: 'Rotterdams Dagboek' geschreven in Rotterdam in juli 1973, 'Vlinder' uit 1972, Venetiaanse strofen I en II uit 1982; 'Holland voor Kees Verheul' uit 1993 en '24 mei 1980' vond ik intrigerende gedichten. Allen door Zeeman vertaald. Uit het eerste gedicht, 'Rotterdams Dagboek', dat drie strofen telt citeer ik de tweede:

II
Een warme julidag. Er lekt een wafel
ijs op een buik. Een kinderstemmenkoor.
Moderne flats, kantoor omarmt kantoor.
Le Corbusier deelt dit met de Luftwaffe,
dat beide fanatiek hebben getracht
het aanzien van Europa vorm te geven.
Wat de cyclopen in hun drift vergeten
wordt op een tekentafel koel volbracht.

Uit het tweede gedicht, 'Vlinder', dat uit veertien strofen bestaat, zijn strofen III, IV en XIV mijn favorieten:

http://perdu.nl/site/assets/files/7157/brodsky_1.900x600.jpg

Voor wie geïnteresseerd is in de goed geannoteerde Engelstalige editie die een twaalftal medewerkers telt, in samenwerking met de auteur, is hier de vertaling van George L. Kline te lezen die in The New Yorker, 15 maart 1976 verscheen onder de titel The Butterfly: Babochka from Chast' rechi. Hieronder, de eerste twee strofen van ditzelfde gedicht:

http://perdu.nl/site/assets/files/7157/brodsky_2.900x600.jpg

Voor alle duidelijkheid is het belangrijk iets te vertellen over de indeling van beide bundels. De Engelstalige editie Collected Poems in English is verdeeld in vijf hoofdstukken met erachter de paginering en soms een opdracht: A Part of speech I, To my mother and father, Gorbunov and Gorchakov 163, To Urania 209, So Forth 343, To my wife and daughter, Collected poems and translations 459. Op het einde vindt u de Selected Bibliography van de verzen, van de essays, de toneelstukken, de anthologieën en de kristische studies die in de noten worden geciteerd. Als laatste de Notes en de Index of titles and first lines. Een compacte editie die, zoals gezegd heel precies aangeeft hoe en wanneer de gedichten zijn verschenen.

De Nederlandse editie kent vier delen: Deel 1 (1957-1964), Deel II (1964-1972), Deel III (1972-1987), Deel IV (1987-1996), Gedichten oorspronkelijk geschreven in het Engels. En als laatste Annotaties, Verantwoording vertalingen en de inhoud met de paginering.Men weet dus precies wie in Strohalmen voor de lezer welk gedicht heeft vertaald. De annotaties zijn een roman apart: als je bijvoorbeeld wilt weten aan wie het gedicht 'Tot Urania' (1981) is opgedragen, dan zoek je op wie I.K.. is. Dan weet je dat het om Inés Delgrado de Torres gaat. Wie is zij? 'Een naaste vriendin van Brodsky in New York, dochter van voor het Franco-regime naar America gevluchte Spaanse ouders, getrouwd en gescheiden van de Iers-Amerikaanse dichter Galway Kinnell. Naast hun omgang in New York maakten zij en Joseph Brodsky samen buitenlandse reizen naar onder andere Spanje, Ierland en Amsterdam. Hun relatie eindigde kort voor Brodky's huwelijk met Maria Sozzani in 1990.' De eerste zes regels uit dit door Zeeman vertaalde gedicht (1981) luiden:

Met inbegrip van leed heeft alles z'n grenzen.
Een raam houdt je blik tegen, zoals een hek een blad.
Je kunt met sleutels rammelen. Water inschenken.
Eenzaamheid is een mens in het kwadraat.
Een dromedaris besnuffelt fronsend een spoorbaan.
Leegte opent zich als een zwaar overgordijn.

Op de bladzijde ernaast 'Verbranding', ook uit datzelfde jaar, maar voor M.B., vertaald door Jan Robert Braat, citeer ik van de negentien strofen de twee laatsten:

Jij bent zoals je was.
Van het leven en 't lot
rest er na jou de as,
uitgedoofd, vaal, kapot,
sneeuw, koude, dageraad,
dans van bevroren riet.
Verzengd tot de derde graad
bolwerkt dit brein het niet.

Je vraagt je af: Wie is M.B.? Uit deel II herinner je je nog deze initialen van het gedicht 'Profetie' (1 mei 1965) dat indruk maakte vanwege de vierde regel van de tweede strofe: 'Dit Holland wordt ons leven, ons bestaan;'. En bij het lezen van de vierde strofe, was de vraag: heeft hij kinderen?

't Zal winter worden, en een straffe wind
zal van ons houten dak de zegge vreten.
En worden we gezegend met een kind,
dan zal het Andrey dan wel Anna heten.
Opdat, wanneer het Russisch alfabet
zich in het roze hoofdje heeft gezet,
de eerste klank altijd komt bovendrijven
en tot de verre toekomst zal beklijven.

De annotaties geven het antwoord: 'Van moederskant stamt Marina Basmanova, tot wie de dichter zich hier richt, af van Hollanders met de naam Enthoven, die zich in de negentiende eeuw in Sint-Petersburg hebben gevestigd. "Dan zal het Andrey dan wel Anna heten"– Brodsky's zoon van M.B., geboren in 1967, heet Andrey, zijn dochter van Maria Sozzani, geboren in New York in 1993, kreeg de naam Anna.'

Veel van zijn gedichten zijn voor iemand geschreven. Intrigerend vond ik destijds dat de twee volgende gedichten gedateerd uit 1982: 'Venetiaanse strofen I' zijn opgedragen aan Susan Sontag en 'Venetiaanse strofen II' aan Gennadi Sjmakov. Je wilt weten wat de relatie van Brodsky tot die twee was. De annotaties geven het antwoord: Brodsky was met de Amerikaanse schrijfster Sontag langdurig bevriend. 'We zijn elkaar een keer of wat toevallig tegengekomen in Venetië.' Over Sjmakov lezen wij dat hij het werk van de homoseksuele Petersburgse dichter Michail Koezmin bestudeerde en dat hij in Leningrad een goede bekende was van Brodsky.

Van 'Venetiaanse strofen I' kies ik van de acht strofen de tweede en van 'Venetiaanse strofen II' de laatste. En wat ik aardig vond is te zien dat Zeeman zijn vertalingen heeft verbeterd in Strohalmen voor de lezer.

II
Het plein is uitgestorven, de kaden zijn verlaten.
Aan de muren van het café meer volk dan er zit;
een meisje in een harembroek laat haar sitaar praten
voor een eender geklede Rashid.
O, negentiende eeuw! Hang naar het Oosten! Pose
van de balling op een rots! En volle manen, als leucocyten
in het bloed, in het werk van barden, die gloeien van tuberculose,
maar dit toeschrijven aan liefde.

VIII
Ietwat aangeschoten zit ik deze regels te noteren,
's winters, buiten, in m'n colbertje, onder een staal-
blauwe hemel, en laat m'n kaken klanken produceren
in hun moedertaal.
Koffie wordt koud. Doffe pupillen zijn het mikpunt
van de sprankelende lagune vanwege hun waaghalzerij
een landschap vast te leggen dat het uitstekend
afkan zonder mij.

Het gedicht '24 mei 1980' verwijst naar de veertigste verjaardag van de dichter. Het aardige van dit gedicht is dat de vertaling in Ex Ponto van Zeeman is en in Strohalmen voor de lezer van Kees Verheul. Totaal anders, die twee vertalingen. Ik geef u van dit gedicht de begin- en de slotregels, eerst van Zeeman in Ex Ponto, en dan die van Verheul in Strohalmen voor de lezer. Boeiend om te zien wat vrijheid van vertaling met een gedicht doet.

Als een wild beest heb ik me in een kooi laten zetten,
kerfde mijn straftijd en bijnaam in cellen en barakken,
woonde aan zee, speelde aan de roulette
en lunchte met Joost mag weten wie in nette pakken.
[…]
Liet alle klanken, behalve gehuil, uit mijn longen komen;
ging over op fluisteren. Ben nu veertig geworden.
Wat te zeggen van het leven? Dat het lang is gebleken.
Alleen met leed voel ik mij nog verbonden.
Maar totdat ze mijn strottenhoofd breken
zal mijn stem uitsluitend dank verkonden.

In plaats van een beest heb ik me steeds in een kooi laten zetten,
mijn straftijd en nummer heb ik gekrast in celmuren,
'k heb aan zee gewoond, gespeeld aan de roulette,
in rok gesoupeerd met de vreemdste sinjeuren.
[…]
Elke klank is mijn keel gepasseerd behalve janken;
'k ben gaan fluisteren. Vandaag ben ik veertig geworden.
Wat moet ik zeggen van het leven? Dat het lang is gebleken.
Solidariteit voel ik alleen met mislukten en manken.
Maar zolang mijn strot niet onder de klei wordt vertreden
zal 't geluid dat hij geeft enkel dit zijn: danken.

Zijn in memoriam voor Anna Achmatova van juli 1989, ter gelegenheid van haar honderdste geboortedag getuigt van zijn bewondering voor deze dichteres 'die de beginnelingsfase van zijn carrière heeft begeleid en die bij zijn verdere ontplooiing in Rusland en elders steeds, hoe onzichtbaar ook voor buitenstaanders, dominant aanwezig bleef op de achtergrond van Brodsky's gedachten […]'. De vertaling is van het Gents Collectief van Poëzievertalers. De laatste strofe van het gedicht 'Bij de honderdste geboortedag van Anna Achmatova' is:

Jij vorstelijke ziel, ik buig van overzee
voor wie ze vond, voor jou, voor wat er is gebleven
en rust in moedergrond, die dankzij jou verkreeg
de gave van het woord in een doofstomme wereld.

Met het gedicht 'Holland' wil ik eindigen. Het is opgedragen aan Kees Verheul met wie de dichter zo'n dertig jaar bevriend is geweest. Het in Amsterdam geschreven gedicht is zomer 1993 gedateerd en door Zeeman vertaald; echt anders dan in Ex Ponto. Leuk om te lezen hoe hij dit heeft verbeterd. De annotaties zijn zeer de moeite van 't lezen waard.

Holland wil zeggen: plat en effen land,
land dat ten langen leste overgaat in zee.
En zee, dat is wat Holland eigenlijk
in wezen is. De ongevangen vissen
die in het Nederlands gesprekken voeren
zijn zeker dat hun vrijheid een soort kruising is
van kant en een gravure. Bergbeklimmen
of sterven van de dorst, dat gaat in Holland niet.
Nog moeilijker is het om sporen na te laten
wanneer je op je fiets van huis wegrijdt,
laat staan wanneer je wegvaart. Holland –
herinneringen. En die breng je met geen dijk
of dam tot staan. 't Is in die zin dat ik
al vele malen langer leef in Holland
dan al die golven die daarginder rollen
zonder adres. Precies als deze regels.

Een prachtig gedicht vol onverwachte wendingen en geestig in zijn droge terzijdes.

In de Volkskrant van 11 juli jl. kunt u in de inleiding van het artikel getiteld 'Brodsky's nut' lezen wat Sjeng Scheijen van deze 'vijf sterren' bundel vindt: 'De droge, complexe, verslavende poëzie van Sovjetrebel Joseph Brodsky is verzameld in een magistrale bundel, waaraan Nederlands beste vertalers Russisch hebben meegewerkt. Zonder opvolgers wacht die vertaalcultuur de ondergang. Dat maakt Brodsky's werk voor Nederland des te relevanter.' Hier lezen we ook dat 'zijn biografie een goudmijn zou kunnen zijn voor een dichter'. Als tweejarige overleeft hij de eerste hongerwinter van de Leningradse blokkade en zijn vader die militair is ziet hij pas in 1948 terug. We lezen: 'Het Joodse gezin beleeft dan de antisemitische campagnes van de late Stalintijd. Brodsky deugt niet, maakt zijn school niet af, werkt in fabrieken en als manusje van alles op geologische expedities. Hij begint te dichten en vestigt de aandacht op zich van liefhebbers, maar ook van de KGB. Zijn interesse voor het Westen is groot, hij verbergt dat onvoldoende, wordt gearresteerd en weer vrijgelaten. […] In 1964 wordt hij veroordeeld tot dwangarbeid vanwege "sociaal parasitisme", omdat hij de dichtkunst beoefende zonder daarvoor van staatswege te zijn gemachtigd. Die rechtszaak en veroordeling is van een zo grote stupiditeit, dat ze, ook in retrospectief, blijft verbazen. In de Sovjet-Unie ontstonden er publieke protesten tegen het vonnis, van populaire schrijvers […] en zelfs van muziekpatriarch Dmitri Sjostakovitsj.' De regering raakte in verwarring en besloot het vijfjarige vonnis te negeren en Brodsky na een jaar vrij te laten. Zijn proces maakte duidelijk dat de tijden waren veranderd. In 1972 wordt de dichter aangespoord het land te verlaten. Hij laat alles achter: familie, vrienden, vrouwen en kinderen. Hij verblijft dan enige tijd in Europa. In Oostenrijk ontmoet hij de door hem zo bewonderde W.H. Auden die hem hielp zijn carrière voort te zeten. Brodksy kwam uiteindelijk in de Verenigde Staten terecht, waar hij ging doceren aan universiteiten en lid werd van de American Academy and Institute of Art and Letters. Daar wordt hij wereldberoemd. In 1987 ontvangt hij de Nobelprijs voor zijn hele oeuvre. Na zijn overlijden in 1996 schreef Arthur Langeveld in het NRC Handelsblad: 'Te zeggen dat hij de grootste Russische dichter van onze tijd was, is te weinig: hij was de Russische poëzie van deze tijd. Binnen Rusland is er niemand die ook maar in zijn schaduw kan staan en buiten Rusland maar heel weinigen.'

'Brodsky schreef allerlei soorten gedichten: korte en lange, eenvoudige en moeilijke, rijmende en niet rijmende, in allerlei vormen en in allerlei stijlen. Liefdesgedichten en liefdesverdrietgedichten. Portretten van vrienden. Schilderingen van landschappen en van steden. Brieven op rijm. Monologen en dialogen, tot aan toneelstukken toe', schrijft Guus Middag in het NRC Handelsblad van 12 juni jl. Ergens anders in dit artikel zegt hij: 'In de gedichten van Brodsky vind je altijd iets bijzonders. Om te beginnen, zoals ik al zei: verrassingen. Die zitten overal, tot in de kleinste details. Losse beelden: "de sparrengotiek in de Russische vlakte". Waarnemingen: "Een geile straatsteen gluurt naar het blauwe ondergoed / van je langbenige vriendin." Verbindingen: in 1973 nam hij deel aan Poetry International in Rotterdam, in een hoog gebouw "dat naar de sterren reikt / op een niveau dat eerder werd bereikt / door hen die hier destijds de lucht in vlogen."' Echt goed zijn poëzie karakteriseren blijkt toch moeilijk. Kees Verheul spreekt van 'het samengaan van verhevenheid met aardse humor, van religieuze denkbeelden met erotiek, van een beteugelde heftige emotie met heftig abstract geredeneer' als kenmerken van Brodsky's poëzie.

Deze monumentale uitgave is meer dan zijn prijs waard. Waar je het ook openslaat, je blijft lezen. Bij de begin en slotregels van het eerste gedicht uit 1957 was ik al terstond gegrepen: 'Vaarvel, vergeet / en oordeel niet te hard. / Verbrand je brieven / als een brug, / keer niet meer terug. […] Dat ze maar fraai en groots mag zijn / de strijd / die binnen in je woedt.' Zijn toon beviel meteen. Wat je verwacht van een groot dichter is dat hij je meeneemt in al de werelden van je bewustzijn. Dat doet Brodsky op een meeslepende manier: afstandelijk en lyrisch, filosofisch en ironisch, beschouwend en geestig, gevarieerd en speels maar niet gekunsteld want dat irriteert, emotioneel en koel tegelijk, somber maar ook lichtvoetig, historisch, legendarisch, romantisch en ook alledaags; nooit banaal want dat gaat vervelen. Tot mijn verrassing vond ik na lezing zijn poëzie zo allesoverheersend dat het moeilijk was dit boek te sluiten. Waar ook, het bleef maar open liggen of het nou een gedicht betrof of de annotaties achterin van Kees Verheul. Ik zat vast aan die bundel die ik helemaal niet meer duur vond maar kostbaar geworden was. Het is een boek dat ik wil bezitten en helemaal uitlezen. Iets dat met mij mee moet gaan, omdat het boeit en nooit verveelt. Hoe meer je leest, hoe meer je nog meer wil! Het werkt verslavend. Menigeen zal het met mij eens zijn.

 

20-6-2015

Op donderdag 28 mei had Perdu een avond getiteld Back to Aleppo, Stories from Syrian writers in Exile. Met Nihad Sirees (1950), Samar Yazbek (1970), Ghayath Almadhoun (1979), Faraj Bayrakdar (1951) en Maarten Zeegers (1982). Van deze laatste kan ik zeggen dat hij tweeënhalfjaar – van 2009 tot 2011- in Damascus heeft gewoond toen de protesten in Syrië begonnen. Regelmatig heeft hij anoniem artikelen in NRC Handelsblad en De Standaard gepubliceerd. En in 2011 hebben wij hem kunnen zien op Nieuwsuur met Twan Huys toen hij vertelde over zijn tijd als student Islamitisch Recht; wij weten ook dat hij een boek publiceerde getiteld Wij zijn Arabieren, dat als paperback in 2012 is gepubliceerd.

Onder leiding van Maarten Zeegers hebben we kunnen luisteren naar deze Syriërs die allemaal in Zweden wonen, schrijven en vertaald zijn. Wij kennen van Ghayath Almadhoun Weg uit Damascus waarover u kunt lezen in de omschrijving die Perdu ervan geeft; van Samar Yazbek Women in the crossfire, in het Nederlands vertaald als Vrouw onder vuur, als paperback in mei 2013 verscheen bij Singel Uitgeverijen, vertaald door Hassnae Bouazza. In dit dagboek doet zij verslag van de eerste vijf maanden van de revolutie in Syrië, die in maart 2011 begon. Vanaf het allereerste begin nam zij deel aan de opstand en was zij getuige van het brute geweld tegen burgers. Van Nihad Sirees, de oudste van deze vier, die zeven romans op zijn naam heeft staan, een aantal toneelstukken, TV en kinderdrama's, is het verhaal The silence and the Roar het bekendst: in 2004 geschreven, later vertaald door Max Weiss en 5 maart 2013 in het Engels verschenen bij Other Press. De titel van het boek verwijst naar het gebral van het regime en het verlangen naar stilte van Fathi om gelukkig te kunnen zijn. Het verhaal speelt zich in een dag af. Meeslepend en adembenemend, wordt hiervan gezegd.

Maar de dichter over wie ik in dit stuk zal schrijven is Faraj Bayrakdar wiens bundel Mirrors of absence voor 15 euro bij Perdu te krijgen is. Vertaald vanuit het Arabisch in het Engels door Mikhail Asfour, in 2015 uitgegeven door GUERNICA in Toronto, Buffalo (V.S.) en Lancaster (U.K.).

Geboren in 1951 in het dorp Tir, vlakbij Homs, wordt FB in 1977, op achtentwintigjarige leeftijd opgepakt omdat hij hoofdredacteur is van een literair tijdschrift dat beoogt het werk van jonge Syrische schrijvers te steunen. In deze functie wordt hij tweemaal eind jaren zeventig opgepakt en in 1987 wordt hij in geïsoleerde gevangenschap gehouden en drie maal daags gemarteld. In 1993 wordt hij als lid van de Communistische oppositiepartij veroordeeld tot vijftien jaar cel maar komt vrij bij een amnestie in 2000. In 2004 kreeg hij de Free Word Award van de Stichting Poets of All Nations in Rotterdam.

Nooit is hij opgehouden met schrijven. In 1979 wordt zijn eerste bundel in het Frans gepubliceerd, getiteld Tu n'es pas seul, in het Engels vertaald als: You are not alone (Beyrut, 1979) en twee jaar later publiceert hij de bundel Golsorkhi (1981), als eerbetoon aan een Iraanse gevangene die lijdt onder het regime van de Shah van Perzië. In de jaren negentig van de vorige eeuw wordt in Frankrijk de eerst genoemde bundel gepubliceerd; dan Une nouvelle danse dans le territoire du coeur en La colombe aux ailes déployées in een anthologie door Michel Deguy. (Deze laatst genoemde bundel is in 1997 in Nederland verschenen onder de titel Een duif met vrije vleugels).

Met een aantal andere schrijvers, Maurice Blanchot, Yves Bonnefoy, Maurice Nadeau en André Velter wordt om zijn vrijlating gevochten. Als bij de Syrische ambassade in Parijs naar hem gevraagd wordt is het antwoord: “Wij kennen deze meneer niet.” Dit staat in de Franse krant Libération van 4 juni 1998. Datzelfde jaar zal bij de uitgeverij Al Dante de bundel Ni vivant ni mort verschijnen met een voorwoord van Michel Deguy die vertelt dat zijn gedichten op vloeitjes van sigarettenpapier de gevangenis uit zijn gesmokkeld en zijn vertaald door de Marokaanse dichter Abdellatif Laâbi (1942) die ook tien jaar in de gevangenis heeft doorgebracht vanwege zijn opvattingen en daarna het land is uitgezet. Vanuit de gevangenis in Sednaya, vlakbij Damascus, hieronder dit in het Frans door Laâbi vertaalde gedicht van FB uit 1993:

Et quand le désespoir sonne à ta porte
Redresse-toi
Et griffonne un message sur le mur:
“Cet homme désespère”
Puis, lance à ton maître, le sultan:
“ma cellule n'est pas plus étroite que ta tombe …
et pourtant
Elle disparaîtra avec ta mort!
Et quand la terre enfermera ton corps
Nous célébrerons ton oubli par une fête d'obsèques”

uit: Une colombe aux ailes déployées (1999). In het Engels, Dove in Free Flight

Vertaald, wordt het dan zo iets als dit:

En als de wanhoop aan je deur belt
Richt je op
En krabbel een bericht op de muur:
“Deze man wanhoopt”
Schreeuw dan tegen je meester, de sultan
“mijn cel is niet smaller dan jouw graf …
en toch
Het zal verdwijnen met jouw dood!
En als de aarde jouw lichaam omsluit
Zullen wij met een feest jouw uitvaart vieren”

In 2004 verscheen bij Free Word Award zijn bundel Spiegels van afwezigheid, vertaald vanuit het Arabisch door Willem Stoetzer. Hierin staan een aantal gedichten van het honderdtal van Mirrors of Absence. Na lezing kan ik zeggen dat ik erg onder de indruk ben van deze dichter. Ironisch, lyrisch, geestig, metafysisch, soms bijna surrealistisch. Alle registers van stemming vindt je in deze prachtige poëzie. Als je er eenmaal aan begint, kun je niet meer ophouden. En dan te denken dat deze man 'gewoon' bij Perdu aanwezig was op 28 mei! In de inleiding van Mirrors of absence kunnen wij lezen hoe zijn gedichten tot stand zijn gekomen. Zijn vertaler Mikhail Asfour schrijft in 2011 een brief aan twee vrienden, Michael en Connie, over zichzelf en zijn werk, voordat hij op drieëntwintigjarige leeftijd vanuit Libanon naar Canada emigreert. Deze brief is tegelijk de inleiding voor de bundel van FB. Hij schrijft het volgende over deze dichter:

“I was deeply struck by the powerful lyricism of this Syrian poet and by the experience he had gone through at the hands of the authorities and the many prisons he was detained at 14 years. His book Mirrors of Absence is a great testament to the cruelty of authorities and a witness for the resiliency of the human spirit in the face of tyranny.

Faraj Bayrakdar wrote the manuscripts Mirrors of Absence, a collection of 100 short poems, while in solitary confinement in Syria and smuggled his verses out on the lips of prsonners who committed his verses to memory during short meetings in the prison yard. He also made ink from tea and inscribed his words on onion skin and cigarette papers with a stylus of match wood. What is striking about the verses is their compression – they are compact, eloquent and revealing. Some are slightly longer than haiku and some are heart wrenching and painfully beautiful. Their thematic expansion enfolds the bulk of human experience and illustrates the triumph of a man who refused to abandon his writing and principles.”

Aan deze inleiding valt niets toe te voegen. Het drukt heel nauwkeurig uit wat de lezer van die honderd gedichten denkt, na lezing van de bundel. De intro zet al meteen de toon:

These mirrors might have been clear rain,
transparent silence
or even translucent tears.
But circumstances were chipped out of stone,
time and place branded with something like blood;
something like madness
like some gods
or like nothing at all.

In het Nederlands vertaald door WS wordt het dit:

deze spiegels hadden
zuivere regen kunnen zijn
of zuivere stilte
of tenminste zuivere tranen.
De situatie echter
was van steen
aan 't kletteren van tijd en plaats
kleefden smetten van wat leek op bloed
of van wat leek op waanzin
of wat leek op goden
of wat niet leek op iets ten enenmale.

De thema's die regelmatig aan bod komen zijn de gevangenis, zijn land, de vrouw, de liefde.
Over de gevangenis, deze gedichten:

9
There's no freedom
outside this place.
But it is freedom that weeps
each time it hears the keys
laugh
in the locks.

Geen vrijheid is er
buiten deze plaats
maar deze vrijheid weent
wanneer zij hoort hoe in de sloten
sleutels
schaterlachen.

12 This is how it is:
prison is a time
you jot down on the walls
in the early days
and in the memory
in the following months.
But, when the years turn
into a long train
tired of its own whistles
and exhausted by the stations,
you try something else
similar to forgetfulness.

gevangenschap is tijd
die je in de eerste dagen
bijhoudt op de muren
maanden daarna
in het geheugen
worden de jaren echter
tot een lange trein,
het fluiten moe,
de hoop op haltes opgegeven,
dan probeer je 't met iets anders
iets dat op vergeten lijkt.
(vertaling WS)

36
Today they released a prisonner
who was incarcerated 19 extra years.
How dogged they are
they should have let him complete his twentieth year!

99
I entered prison
fully ready
for death
and here I am
unaware
of how many years it will take
to organize my dreams and leave
fully ready
for life.

En over zijn land, deze gedichten die zo voor zichzelf spreken dat vertaling niet nodig is:

31
Yes, God, yes,
this is Syria.
In which cloud do you weep
and how do we console you?

37
Freedom is a country,
my country is an exile
and I am my own antithesis.
This is my testimony
written
with my mother's milk
and stamped with my chains.

40
Not to be partial,
not to be beautiful,
there is no other cemetery
in this life
nor in the after life
wider
than the one I call
my country.

66
Instead of a graveyard
I propose a forest
to carve on its trunks
the names of those who have been murdered.

Bayrakdar heeft in eigen land nog altijd een publicatieverbod, net als zijn vrouw, de schrijfster Manhal Alsaraj. In het Arabisch taalgebied wordt hij beschouwd als een van de belangrijke dichters van deze tijd. In 1998 werd de gevangen dichter door Human Rights Watch de Hellman-Hammet Award toegekend. De internationale schrijversorganisatie PEN eerde hem een jaar later met de Barbara Goldsmith Freedom-to-Write prijs. De jury die hem in 2004 onderscheidde met de PAN/Novib Free Word Award bestond uit Neelie Kroes (voorzitter), Remco Campert, J. Bernlef, Anna Enquist, Silke Behl, Martin Mooij, Winfried van den Muijsenbergh en Joachim Sartorius. Het juryrapport prijst Bayrakdar voor zijn moed "met allen die zich, waar ook ter wereld, inzetten voor de vrijheid van het woord - ook wanneer deze vrijheid hen ontnomen wordt en zij de consequenties daarvan moeten ondergaan". Ik zal eindigen met deze gedichten:

29
Here
and there
on the wall
and on my heart.
On the night and the wind
on the doors and the promises
and the sidewalks.
On fear, pessimism and nothingness.
Two deep eyes
close to darkness
two darknesses
close to tragedy,
two tragedies
close to silence,
two silences
close to barking
neither before them
nor after them
just half mast flags
and I
and God in two adjoined
jail cells.

In de vertaling van WS wordt het dit:

hier
en daar
op de wand
en op mijn hart.
op nacht en wind
op deuren, afspraken en trottoirs
op vrees, wanhoop en het niets.
twee ogen diep
tot zwartheids grens.
zwart
tot tragedies grens.
tragisch
tot stiltes grens.
stilzwijgend
tot huilens grens.
ervoor is niets
erna is niets
buiten vlaggen halfstok gehesen
god
en ik
zitten in cellen naast elkaar.

94
The road was rough,
long,
meandering yet
I walked it to the end,
still, I never arrived.

Geweldig toch dat tussen de muren van Perdu de stem van deze dichter heeft mogen klinken en dat wij in ons veilige wereldje iemand uit dit gruwelijke gebied hebben kunnen mogen ontvangen. Of wij ons volop realiseren wat zo'n regime met mensen doet, weet ik niet. Maar wat ik wel weet is dat poëzie de mens zo'n kracht geeft, dat de geest er als overwinnaar uitkomt met alle pijn die het lichaam te verduren krijgt. Zo'n zeldzame avond doet ons realiseren dat Perdu een oase is in een wereld die door machtsdrang van een aantal er nog steeds slecht uitziet. Geloof je in de kracht van de poëzie, dan ben jij de winnaar en de machtswolf de verliezer. Faraj Barakdar is een inspirerend dichter en een geweldig mens.

 

20-5-2015

Perdu heeft nu een tiental bundels van de Franse dichter René Char (1907-1988). 'Dichter als lichtmaker' titelde Henk Pröpper zijn artikel over deze poëet in het NRC Handelsbad van 23-02-1988. “Dichten was voor Char het ontsteken van licht door de fonkeling van op elkaar stuitende woorden en had de taal eenmaal haar vitaliserend werk gedaan, dan trok de dichter zich uit het gedicht terug, terug naar het duister dat voor Char buiten de taal lag.”

Twintig jaar eerder had C.J. van Rees in het Parool van 24-06-1967 het volgende over Char geschreven: "Dat Char tot de grootste Franse dichters behoort, daarover bestaat geen twijfel. Ten onrechte is hij tot nu toe een dichter voor dichters gebleven. Nog slechts een beperkt publiek heeft zich het 'mysterie' van deze poëzie eigen gemaakt. In ons land ligt er op dit punt een taak voor de goede vertalers, die een barrière voor een groter publiek zouden kunnen wegnemen. Of moeten we soms wachten tot hem de Nobelprijs wordt toegekend?”

Geboren in 1907 in L'Isle-sur-Sorgue, een plaatsje ten oosten van Avignon, was R.C. de jongste van de vier kinderen van Marie-Thérèse Armande Rouget en Emile Char, plaatselijk gipsfabrikant en burgemeester. Hij groeide op in de Vaucluse, landstreek van de ijskoude en heldere rivier de Sorgue, met uitzicht op het Lubérongebergte in de verte. Albert Camus schreef ooit in zijn inleiding op een Duitse Char-uitgave het volgende over deze streek: “Daar, waar Char is geboren, doet de zon zich soms als iets donkers voor, dat is algemeen bekend. Om twee uur 's middags, als de hitte boven de velden het grootst is, scheert een zwarte adem over het land.” Maar ook een streek waar het toerisme hoogtij viert en een atoomraketbasis te vinden is. Met Picasso heeft Char zich daartegen in juni 1966 openlijk verzet. Dat was tevergeefs, want dat ding staat er nog steeds.

Van R.C. kun je zeggen dat leven en dichtwerk onlosmakelijk verbonden zijn. Wat hij doet en wat hij schrijft staat in het licht van een innerlijk verzet tegen de mens. Tijdens zijn puberteit is duidelijk dat hij de neiging heeft zich anders dan anderen te gedragen. Hij gaat om met een groep kinderen die zich 'les matinaux' noemt, wat zo iets betekent als 'de ochtendwezens'; ze zwerven rond en nemen de vrijheid om te gaan en staan waar ze willen al naar gelang het seizoen en het uur van de dag. Hij schrijft hierover in zijn bundel Fureur et mystère (1948) het gedicht XXII: “Compagnons pathétiques, qui murmurez avec peine, allez la lampe éteinte et rendez les bijoux. Un mystère nouveau chante dans vos os. Développez votre étrangeté légitime.” Vertaald, betekent dit: “Ongelukkige kameraden, die moeizaam mompelen, ga met de lamp uit en geef de juwelen terug. Een nieuw geheim zingt in jullie botten. Ontwikkel je ware vreemdheid.”

Char is iemand die zich autodidactisch ontwikkelt in de literaire wereld. Hij leest veel en laat zich inspireren door de oude klassieken, m.n. Plutarchus en door de Franse dichters: Villon, Vigny, Nerval, Baudelaire. Hij schrijft vanaf zijn vijftiende en zijn gedichten uit die tijd (1922-1927) zullen in 1928 worden uitgegeven in een bundel getiteld Cloches sur le coeur. Hij zal de 150 exemplaren later vernietigen omdat hij niet echt tevreden is over de invloeden van de romantiek en het symbolisme. Hij leert hiervan, weet dat dit soort poëzie niet is wat hij wil. In 1929 komt zijn eerste echte bundel uit: Arsenal waarin de twee thema's in de bundel onlosmakelijk met hem verbonden zijn: de natuur en het verzet. Hij zal in de Tweede Wereldoorlog onder de naam Alexandre het verzet organiseren. Hij kiest ervoor om in die oorlogsjaren niets te publiceren omdat, zo legt hij aan zijn vriend Curel uit, de dichters niet echt op hun plaats zijn in het leger. Deze periode zal een onmiskenbare invloed hebben op zijn werk en tot zijn dood zal hij wantrouwend blijven tegen de politiek, waarin hij de hypocrisie, dat zo zeker is van zijn rechten, ziet. Zijn missie als dichter heeft alles te maken met verandering van de wereld waarin wij leven, met de verkeerde ideeën die de mens heeft en met het besef van het gevaar dat de mens voor zichzelf en de ander is. Hij beschouwt literatuur niet zozeer als een verzet dat met wapens te maken heeft maar als een daad van bespiegeling, overpeinzing en strijd tegen jezelf. “Le pire est en chacun, en chasseur, dans son flanc”, zegt hij, d.w.z. “Het slechtste zit in een ieder, als jager, in onze schoot”.

Belangrijk zijn de jaren 1929-1938 waarin hij kennis maakt met de surrealist Paul Eluard (1895-1952) die door zijn werk gefascineerd is geraakt. Eluard zoekt hem op in de Vaucluse; en beiden vertrekken naar Parijs waar Char kennis maakt met Breton en Aragon. Met z'n vieren zullen zij, juli 1930, het surrealistische tijdschrift Le Surréalisme au service de la révolution oprichten. Hij zal in die jaren met Eluard en Nush naar Spanje reizen en kennis maken met Salvador Dali en Gala. Hij zal ook in 1934 Tzara en zijn vrouw Greta Knutson ontvangen in zijn huis in de Provence; en later Man Ray en Picasso. Maar vanaf december 1934 zal hij zich losmaken van de surrealisten. “Le surréalisme est mort du sectarisme imbécile de ses adeptes” schrijft hij aan Antonin Artaud (1896-1948), de surrealistische theatermaker. En in een open brief aan Benjamin Péret (1899-1959) – die ikzelf de interessantste surrealist vind – schrijft Char, 7 december 1935: “J'ai repris ma liberté voici treize mois, sans éprouver le moindre besoin de cracher sur ce qui durant cinq ans avait été pour moi tout au monde”, d.w.z. “Ik ben sinds dertien maanden weer vrij zonder de minste behoefte te hebben op wat voor mij alles in de wereld betekende te spuwen.”

Met Albert Camus (1913-1960), de Frans Algerijnse filosoof zal hij tot diens dood bevriend blijven; zij delen een identieke zienswijze op het fenomeen 'mens'. In 1959 schrijft Camus in het voorwoord van de Duitse editie Poésies de Char: “Je tiens René Char pour notre plus grand poète vivant et Fureur et mystère pour ce que la poésie française nous a donné de plus surprenant depuis Les Illuminations et Alcools […] La nouveauté de Char est éclatante, en effet. Il est sans doute passé par le surréalisme, mais il s'y est prêté plutôt que donné, le temps d'apercevoir que son pas était mieux assuré quand il marchait seul. […] L'homme et l'artiste, qui marchent du même pas, se sont trempés hier dans la lutte contre le totalitarisme hitlérien, aujourd'hui dans la dénonciation des nihilismes contraires et complices qui déchirent notre monde […] Poète de la révolte et de la liberté, il n'a jamais accepté la complaisance […]. Zo vertelt Camus dat hij de dichter van onze toekomst is. Een van de grootste dichters sinds Rimbaud en Apollinaire. Nieuw en verrassend. Het surrealisme heeft hem iets gegeven maar het is beter voor hem dat hij op eigen benen staat. Mens en kunstenaar houden gelijke tred. Gisteren de strijd tegen het totalitarisme. Vandaag de dichter van het verzet en de vrijheid. Nooit heeft hij gedienstigheid verdragen. Vrij vertaald is dit wat wij lezen over de mening van Camus.

In het latere werk van Char, met name vanaf de jaren zestig, klinkt de angst van het tijdsgewricht door. Char schetst het spanningsveld tussen de onvermijdelijke neergang - zelfs angst voor het ‘einde der tijden’- en het onweerhoudbare menselijk streven naar het hogere. Ook schrijft hij steeds vaker over het wezen van het dichterschap zelf. Niettegenstaande de ernst en filosofische diepgang van zijn levensvisie en zijn compacte schrijfstijl, weet hij toch een zekere luciditeit in zijn werk te behouden, welke de toegankelijkheid zeer ten goede komt. Maurice Blanchot (1907-2003), Franse romancier, essayist en filosoof zal over R.C. schrijven: “L'une des grandeurs de René Char, celle par laquelle il n'a pas d'égal en ce temps, c'est que sa poésie est révélation de la poésie, poésie de la poésie.” Ainsi, dans toute l'oeuvre de Char, “l'expression poétique est la poésie mise en face d'elle-même et rendue visible, dans son essence, à travers les mots qui la recherchent.” Wij lezen hier: “Een van de grootheden van René Char, daar waar zijn gelijke in deze tijd niet bestaat is dat zijn poëzie openbaring is van poëzie, poëzie van poëzie.” d.w.z. dat 'de poëtische uitdrukking de poëzie is die tegenover zichzelf staat en zichtbaar wordt, in haar essentie, door de woorden heen die haar opzoeken.”

Het wordt nu tijd voor de lezer van dit artikel te weten welke bundels van deze dichter nu voorradig zijn bij Perdu. Dat zijn: A une sérénité crispée, Éditions Gallimard, 1951, 1ste druk, genummerd exemplaar. Les Matinaux, 2e édition, Gallimard, 1952. La parole en archipel, poèmes, 1ste druk, Gallimard, 1962. Retour Amont, Éditions Gallimard, 1966, 1ste druk, genummerd exemplaar. Dans la pluie giboyeuse, poème, Éditions Gallimard, 1968, 1ste druk, genummerd exemplaar. Le nu perdu, Éditions Gallimard, 1971, uitgegeven in 1976. Aromates chasseurs, Éditions Gallimard, 1975, uitgegeven in 1976. Fenêtres dormantes et porte sur le toit, Éditions Gallimard, 1979, uitgegeven in 1983. Les voisinages de Van Gogh, Éditions Gallimard, 1985, 1ste druk. CAHIER DE L'HERNE René Char, Éditions de l'Herne, 1971, waarin alle belangrijke stukken over Char.

Als laatste vind ik het belangrijk te zeggen dat Char een goede band had met veel schilders en hij noemde hen zelfs zijn ‘primaire bondgenoten’. In de jaren dertig sloot hij een levenslange vriendschap met Pablo Picasso en Joan Miró. Wassily Kandinsky illustreerde zijn werk; Henri Matisse werd door Chars Le marteau sans maître geïnspireerd voor een aantal schilderijen; Nicolas de Staël maakte veertien houtgravures voor Poèmes; Giacometti vier gravures voor Retour amont; en Georges Braque litho's voor Lettera Amorosa. En nog veel meer namen: Viera da Silva, Wilfredo Lam, Max Ernst, Valentine Hugo en niet onbelangrijk Zao Wou-ki (1920-2013), Frans Chinese schilder. Met allen had hij contact.

We weten tenslotte dat Char moeilijk te vertalen is. Wat de lezer moet weten is dat C.P. Heering-Moorman een vertaling van René Char verzorgde onder de titel: Samen aanwezig: gedichten 1930-1972, Meulenhoof, 1974. Over haar vertaling van Les voisinages de Van Gogh met de titel Grenzend aan Van Gogh, Meulenhoff, 1987 is veel kritiek geweest in een artikel getiteld 'De vertaler als verpulveraar' van Stefan Hertmans, verschenen in Yang, jrg.24, 1988. Zou misschien de titel De omgevingswereld van Van Gogh beter zijn? De poëzie van Char bestaat voornamelijk uit dichterlijk geformuleerde aforismen, uitspraken en gedachtegangen die je niet snel vergeet. Ik citeer er een aantal met eigen vertaling.

Uit de bundel Dans La pluie giboyeuse de laatste strofen van 'La scie rêveuse':

 

    Entends le mot accomplir ce qu'il dit. Sens le

    mot être à son tour ce que tu es. Et son existence

    devient doublement la tienne.

    Seule des autres pierres, la pierre du torrent a

    le contour rêveur du visage enfin rendu.

 

    De dromerige zaag

 

    Hoor wat het woord verwezenlijken zegt. Voel het

    woord zijn op z'n beurt wat jij bent. En zijn bestaan

    wordt dubbel en dwars de jouwe.

    Van andere stenen heeft enkel de bergstroomsteen

    de dromerige omtrek van 't tenslotte geuite gezicht.

 

En dan de eerste twee strofen van 'Le terme épars' dat ik vertaal als 'De term schaars':

 

    Si tu cries, le monde se tait: il s'éloigne avec ton

    propre monde.

    Als jij schreeuwt, zwijgt de wereld: zij gaat heen

    met je eigen wereld.

 

    Donne toujours plus que tu ne peux reprendre.

    Et oublie. Telle est la voie sacrée.

    Geef altijd meer dan je kunt terugkrijgen.

    En vergeet. Dat is de heilige weg.

 

Tenslotte, de eerste twee strofen van 'Possessions extérieures', vertaald als 'Uiterlijk bezit':

 

    Parmi tout ce qui s'écrit hors de notre attention,

    l'infini du ciel, avec ses défits, son roulement, ses

    mots innombrables, n'est qu'une phrase un peu plus

    longue, un peu plus haletante que les autres.

 

    Bij alles wat zich buiten onze aandacht schrijft,

    is het oneindige van de hemel, met zijn uitdagingen,

    zijn lawaai, zijn talloze woorden, slechts een iets

    langere zin, iets spannender dan de anderen.

 

Uit de bundel La parole en archipel regels uit het gedicht LES DENTELLES DE MONTMIRAIL:

 

    La poésie vit d'insomnie perpétuelle.

    Poëzie leeft van permanente slapeloosheid.

 

    Il semble que ce soit le ciel qui ait le dernier mot.

    Mais il le prononce à voix si basse que nul ne l'entend

    jamais.

 

    Het lijkt erop dat de hemel het laatste woord heeft.

    Maar hij spreekt het zo zacht uit dat niemand hem ooit

    hoort.

Vertaald in een twintigtal talen. Nauwelijks, merkwaardig genoeg, in het Nederlands, behalve door al genoemde Heering-Moorman. Verder zijn enkele gedichten, vertaald door Guus Luijters en Sybren Polet, te vinden in een aantal bloemlezingen, zoals Door mij spreken stemmen uitgegeven door Bert Bakker in 1975; Gedicht 99, uitgegeven door L.J. Veen in 1999. Verder niets. Vreemd maar waar! René Char: een dichter die iedereen kent, en in het Frans moet lezen omdat hij niet is vertaald. Hoe komt het dat hij zo populair is? Geliefd zelfs, wellicht. Of toch zoals Van Rees in 1967 zei, 'een dichter voor dichters'. Ik denk het.

 

20-4-2015

Antipoems, How to look better & feel great, ANTITRANSLATION BY LIZ WERNER. Een tweetalige bundel, in 2004 uitgegeven door A NEW DIRECTIONS BOOK. Van het Spaans in het Engels vertaald door Liz Werner.

De auteur van dit boek Nicanor Parra (5 september 1914) is een Chileense wiskundige en dichter, wiens werken een belangrijke invloed hebben gehad op de literatuur van heel Zuid-Amerika. Hij heeft zich “antipoeta” verklaard, wat betekent dat hij de pompeuze wijzen van andere dichters wilde verwerpen. Zijn vader was onderwijzer en muzikant, een soort zigeuner en zijn moeder zorgde voor het grote gezin. Parra volgde zijn middelbare school in Chillán en kreeg op zijn achttiende een beurs voor de prestigieuze universiteit in Santiago. Na een ingenieurstudie in deze stad, is hij begonnen aan een studie natuurkunde aan de Brown University en kosmologie in Oxford. Voor een aantal jaar is hij docent wiskunde en natuurkunde geweest en ook docent in de volksdansen la cueca. In zijn latere jaren is hij beeldhouwer geworden en kunstenaar. Zijn tentoonstellingen van zijn twee-dimensionale artefactos werden een groot succes. Parra publiceerde zijn eerste bundel in 1938 maar hij werd pas echt bekend toen hij Poemas y Antipoemas in 1954 publiceerde. Hij stond toen bekend als de “antipoeta”. Het is van belang om het ook over zijn tijdgenoten te hebben en over de Zuid-Amerikaanse dichtkunst in het algemeen voordat we begrijpen wat deze dichter beoogde met zijn anti- poëzie.

Interessant om te weten is dat Parra tot dezelfde generatie als Octavio Paz uit Mexico behoort, José Lezama Lima (1910-1976) uit Cuba en Julio Cortazar uit Argentinië. En deze dichters zijn of waren even oud: Octavio Paz, geboren 31 maart 1914; Julio Cortazar, op 26 augustus 1914, en Parra tien dagen later in dit memorabele jaar. Cortazar overleed op zeventigjarige leeftijd, Paz op zijn vierentachtigste en Parra leeft nog steeds. Hij heeft op dit moment de historische leeftijd van honderd jaar bereikt. De wereldberoemde Chileense dichter Pablo Neruda (1904-1973) kreeg in 1971 de Nobelprijs voor de literatuur 'Voor een poëzie die met de energie van een elementaire kracht het lot en de dromen van een continent tot leven brengt.'

Octavio Paz kreeg deze prijs ook in 1990 'Voor gepassioneerd schrijven met een brede horizon, gekenmerkt door een weelderige intelligentie en humanistische integriteit. Cortazar, zijn buurtgenoot uit Argentinië, mocht wegens kritiek op Videla Argentinië niet meer betreden en is in Frankrijk gaan wonen. Hij is beïnvloed door het surrealisme, de Franse Nieuwe Roman en door de esthetiek van jazzmuziek. Zijn kracht lag met name in zijn gevoel voor humor en zijn poëtische en vernieuwende gebruik van taal. Deze dichters hebben geen invloed gehad op Parra; Wel de Chileense dichter Vicente Huidobro (1893-1943) die bekend was als de vader van de avant-garde beweging 'Creacionismo'; en in Parijs veel heeft samengewerkt met Apollinaire en Pierre Reverdy.

Cédomil Goic heeft in Études littéraires, vol.6, nr.3 in 1973 een essay geschreven, getiteld L'Antipoésie. Daarin lezen wij dat in de Chileense dichtkunst een fundamentele onzekerheid heerst die wij terugvinden bij Pablo Neruda in zijn beelden van huizen, steden of landen die tussen de klippen door zeilen en die het vaste land niet kennen. Neruda had het in zijn stuk Sobre una poesia sin pureza over een dichtkunst van alledaagse, laag-bij-de-grondse dingen van het leven om de poëzie te ontheiligen. Parra, ontevreden met de poëzie van zijn voorgangers, probeert iets anders. Wat de antidichter wil, is de gesproken taal het gedicht laten zijn waardoor de dichtkunst zoals het tot dan toe bestond tot een nulwaarde wordt gereduceerd. “Poëzie is gewoon het leven in woorden brengen”. Hij wil een poëzie maken die authentiek is, die bij de dagelijkse taal hoort met woorden uit die taal, zó dicht mogelijk bij 'het gewone leven' van de woorden zelf . Mooie voorbeelden van dit soort poëzie vind ik deze gedichten:

 

    DEJEMONOS DE PAMPLINAS

 

    En Chile nunca ha habido democracia

    Ni la habrá

 

    Todas son dictaduras amigo lindo

    Lo único que nos está permitido

    Es eligir

    Entre la de ellos & la de nosotros

 

    Lenin dixit

    Sea pobre & honráo compadre

    Pero no sea nunca hueón

 

    LET'S CUT THE BULLSHIT

 

    In Chile we have never had democracy

    And never will:

 

    They are all dictatorships, my dear friend

    The only thing that we're allowed

    Is to elect

    Between their dictatorship & ours

 

    Lenin was damn right:

    Go on being poor and honest, ol' pal

    Just don't be an asshole

 

    CANTO PRIMO

 

    En mitad del camino de la vida

    me extravié en una selva tenebrosa

    por internarme en tierra prohibida

 

    sólo de recordado

    se me ponen los pelos de punta:

    un león una loba y una pantera

    – miserere di me –

    me miraban como queriendo desayunarse

    conmigo

 

    suerte que el gran Tomás*

    apareció en el momento preciso

    de lo contrario no estoy contando la historia

 

    CANTO PRIMO

 

    Midway upon the journey of our life

    I lost myself within a forest dark

    because I'd gone on to forbidden land

 

    just thinking about it

    makes my hair stand on end:

    a lion a she-wolf and a panther

    – miserere di me –

    gazed at me like they wanted to eat me for

    breakfast

 

    what luck that the great Tomás*

    came along at exactly the right moment

    otherwise I wouldn't be telling this story

 

*Tomás Lagos. Literary critic and friend of Nicanor Parra. Here Parra is referring to the prologue of the volume Tres poetas chilenos in which Lagos writes, “Hasta aquí nomás llega Neruda y después Parra.”(“Neruda takes us up to this point and no further. From here on, it's Parra”)

 

Het onderstaande gedicht maakt duidelijk wat Parra bedoelt met zijn Antipoëzie:

 

    NOTA SOBRE LA LECCIÓN DE LA ANTIPOESIA

 

        En la antipoesía se busca la poesía, no la elocuencia

 

        Los antipoemas deben leerse en el mismo orden en que fueron escritos.

 

        Hemos de leer con el mismo gusto los poemas que los antipoemas.

 

        La poesía pasa – la antípoesía también.

 

        El poeta nos habla a todos sin hacer diferencia de nada.

 

        Nuestra curiosidad nos impide muchas veces gozar plenamente la antípoesía por tratar de entender y discutir aquello que no se debe.

 

        Si quiero aprovechar, lee de buena fe y no te complazcas jamás en el nombre del literato.

 

        Pregunta con buena voluntad y oye sin replicar la palabra de los poetas, no te disgusten las sentencias de los viejos pues no las profieren al acaso.

 

        Saludos a todos.

 

En nu de vertaling in het Engels van Liz Werner:

 

        In antipoetry, it is poetry that is sought, not eloquence.

 

        Antipoems should be read in the same order in which they were written.

 

        We must read poems with the same hunger we bring to anti poems.

 

        Poetry happens – so does antipoetry.

 

        The poet speaks to all of us, without discrimination.

 

        Often our pleasure in antipoetry is impaired by our curiosity: we attempt to understand and dispute when we shoudn't do either.

 

        Read in good faith if you want to partake, and don't ever find your satisfaction in the author's name.

 

        Ask your questions openly and listen without argument to the poets' words; don't be impatient with the pronouncements of the elders – they don't make them by accident.

 

        Hi to everyone.

 

Zo wordt bij hem een gewone manier van spreken een overpeinzing, bijvoorbeeld in dit gedicht:

 

    TUVO RAZÓN EL BÚHO CUANDO DIJO

 

    Ni Mahoma ni Bush:

 

    Hamlet!

    El Paladin de la Duda Metódica

    Dudo luego existo

 

    TUVO RAZÓN EL BÚHO CUANDO DIJO

 

    Not Mohammed and not Bush:

 

    Hamlet!

    The Champion of Methodical Doubt:

 

    I doubt therefore I am

 

En in het onderhavige gedicht, door hem in het Engels geschreven, weet de lezer wat de mens Parra denkt. En in de laatste regel noemt hij zijn moeder, Clara Sandoval, een nauwelijks onderlegde vrouw, aan wie hij al zijn kennis te danken heeft.

 

    H ACCORDING TO N

 

    What inhibits Hamlet

    Is his tragical knowledge

    Of the futility & folly of action

    In a world out of joint

    Knowledge kills action

 

    Action requires the veil of illusion

    Clara Sandoval used to tell us

 

In de vertaling van Liz Werner lezen wij wat Pablo Neruda over zijn Poemas y Antipoemas heeft geschreven: “In one fell swoop this great bard is capable of crossing through the gloomiest mysteries or, like a vessel, rounding out of his song with lines of grace and subtlety.” Anderen vonden zijn werk iconoclastisch, bedreigend voor de moraliteit en de zedelijke beginselen schendend. Maar weer anderen, zoals Harold Bloom, schrijver van The Western Canon, vertelde recent aan de Chileense krant La Tercera: “Obviously I believe that Parra deserves the Nobel Prize for Literature. (…) He is, unquestionably, one of the best poets of the West." De Argentijnse criticus Ricardo Piglia: "We all believe that Chilean literature, first and foremost, is Chilean poetry: it is Huidobro, it is Parra, it is Neruda. (…) Out of that whole great tradition of poets, the one who for me is above all others is Nicanor Parra.” In deze inleiding kun je ook lezen wat voor 'n aardig mens deze dichter is en hoe dol de gewone man op hem is.

Hij is op het moment van aankomst van zijn vertaalster net bezig met Shakespeare. Hij zal Hamlet in het Spaans vertalen. Over zijn eigen werk wil hij niet praten. En wat hij tegen Liz Werner zegt als zij weer vertrekt is het volgende: “The second best way to absorb antipoetry is to accept the impossibility of translation and enjoy these antipoems as we [Parra and Liz Werner] have 'rewritten' them in English here." “The best thing would be for them to learn Spanish.” of in het Spaans: “Lo mejor sería aprender el español.” Dit voor de lezer dan.

Nicanor Parra mag dan niet de Nobelprijs hebben gewonnen. Wel heeft hij in 2011 de Miguel de Cervantes Prize gewonnen; “The prize established in 1976 is awarded annually to honour the lifetime achievement of an outstanding writer in the Spanish language. The winner receives a monetary award of 125,000 euros, it is one of the richest literary prizes in the world and one of the most prestigious in the Spanish language.”

In dit unieke boekje zult u ook genieten van de visuele 'artefactos' van deze zeer geestige dichter. (Zie bovenaan de pagina) Dit is wat wij erover lezen: “This early project, entitled Artefactos, was the precursor of much of his current work. Visual artefactos are like haiku for the MTV generation. They mix images and words to create quick slogans and one-liners, inspired by the contagious art of advertising. (…) The star of most of the visual artefactos is a heart with no mind and no body, whom Parra alternately calls Hamlet and Mr. Nobody.” Ik zal ze voor u vertalen: Een: 'En dít vraag jij mij? Antipoëzie, dat ben jij' Twee: 'Antwoord van het orakel Wat je ook doet, je zult er spijt van krijgen' Drie: 'Alle poëzie is shit, zei Claro Sandoval. Natuurlijk zijn er wel uitzonderingen'

Ik eindig met zijn laatste gedicht:

 

    ÚLTIMO POEMA

 

    …...................................................

    …...................................................

    …...................................................

    …...................................................

 

    …......................................

    …..................................................

    …......................................

 

    No sé si me explico:

    Lo que quiero decir es lo siguiente:

 

    LAATSTE GEDICHT

 

    …...............................................

    …...............................................

    …...............................................

    …...............................................

 

    …....................................

    …...............................................

    …....................................

 

    Ik weet niet of ik duidelijk ben:

    Wat ik wil zeggen is het volgende:

 

Het is wel duidelijk dat dit boekje op je tafel moet liggen. Niet duur: 16,50. Geef jezelf of een ander dat plezier! Het is geweldig. Ik zag het en moest het meteen hebben. How to look better & feel great. Inderdaad!

 

2-3-2015

Twee mensen in gesprek met elkaar. Boeiend om te lezen wat een filosoof en een journalist zo met elkaar bespreken. Henk Steenhuis, filosofieredacteur bij Trouw publiceerde in 2011 samen met Theo de Boer bij uitgeverij Lemniscaat het boek Denken over dichten met als ondertitel Hartstocht en rede komen in contact. Het resultaat van hun samenwerking levert een rijk geïllustreerd lees- en kijkboek op waarin het werk van Aristoteles (384-322 v.Chr.) tot Brassinga (1948) aantrekkelijk wordt gemaakt. Hun interviews waren al vijf jaar lang in Letter & Geest verschenen. Moderne poëzie is moeilijk, zo stellen de auteurs. Zij vergt een onderzoekende en nieuwsgierige lezer die een wereld verkent waarin de klassieke en moderne dichters van Petrarca en Vondel tot Milosz en Glück worden besproken. Enige hulp daarbij is nooit weg, maar kan de filosofie zorgen voor meer duidelijkheid? That is the question. In dit lijvige boek over dichtkunst proberen Steenhuis en De Boer op een nuchtere vraag-en-antwoordmanier verbanden te leggen tussen poëzie en filosofie; Steenhuis als nieuwsgierige aangever en De Boer als terzakekundige afmaker. Want, zo stellen ze in het voorwoord, er is een wederkerige relatie tussen poëzie en filosofie. 'De filosoof plaatst wat de dichter hem laat zien in een horizon en probeert een raamwerk bewust te maken.'

Het boek telt acht delen met ieder een thema en vier en twintig hoofdstukken. Om u een idee over de opzet te geven, neem ik bijvoorbeeld Deel 4 dat het thema Leven en dood behandelt en drie hoofdstukken telt: Tegen het levensvijandig gepieker – Rainer Maria Rilke, De afgrond zit in ons – Charles Baudelaire en Spreek alleenlijk – T.S.Eliot. In het zojuist eerstgenoemde hoofdstuk bespreken de auteurs een beroemd sonnet van R.M.R. Die Sonette an Orpheus uit 1922, met de vertaling van W. Blok en C.O.Jellema, hieronder afgedrukt. Over dit sonnet geef ik een voorbeeld van het vraag- en antwoordspel.

 

    Sticht geen gedenksteen. Laat alleen de rozen

    te zijnen gunste bloeien, ieder jaar.

    Want het is Orpheus. Zijn metamorfose

    in dit en dit. O zoeken wij niet naar

 

    andere namen . Want ten enenmale

    is 't Orpheus, in elk lied. Hij komt, verdwijnt.

    Is 't niet al veel als hij de rozeschalen

    voor een paar dagen te overleven schijnt?

 

    O dat gij zijn verscheiden toch beseft!

    Hoe angst voor heengaan soms hem overmande!

    Omdat zijn woord het hierzijn overtreft,

 

    is hij al ginds, waar gij 't niet kunt geleiden.

    Geen snarentralies dwingen hem de handen.

    En hij gehoorzaamt in dit overschrijden.

 

De lezer ziet dat de vragen van Steenhuis in het rood worden gesteld en de antwoorden van De Boer in het zwart. De vraag luidt: 'Wat wil Rilke met zo'n oude god?' Het antwoord is: 'Je moet deze poëzie vooral zien als een vrije schepping van Rilke waarbij hij zich weinig bekommert om historische gegevens. Het gaat hem om het restaureren van een oude mythe waarin de eeuwig scheppende natuur centraal staat en leven en dood bij elkaar horen als twee kanten van het ene bestaan.'

Wat het interessant maakt is dat de gesprekspartners zó verschillend zijn: de ene is emeritus hoogleraar wijsgerige anthropologie en systematische wijsbegeerte en is veel ouder dan de andere, geboren in 1932. Degene die de vragen stelt is van 1969 en is filosofieredacteur bij het dagblad Trouw; deze maakte met respectievelijk Mieke Boon en Marcel Prins de succesvolle boeken Filosofie van het kijken (2008) en Andere Achterhuizen (2010). Weet je dit, dan lees je het boek vanuit een bepaald denkpatroon: poëzie geïnterpreteerd vanuit een filosofisch denken. De recensie van Tom van Deel die Perdu bij de omschrijving van Denken over dichten geeft, maakt ook veel duidelijk. Bij de opening ervan ziet men in het Woord vooraf 'Hartstocht en rede komen in contact' (Gerrit Achterberg) en het Woord achteraf 'Het mechaniek van de ontroering' (Rutger Kopland). Daar tussenin: acht delen met elk een ander thema -- Liefde, Levenskunst, Natuur, Leven en dood, Het Niets, Religie, Tijd, Taal en werkelijkheid.

Bij het lezen van deze bundel had ik het gevoel dat ik op de collegebank zat en dat ik luisterde naar twee professoren die verzen van dichters onder de loep nemen. Van alles wordt besproken, van de klassieken tot de filosofen uit de negentiende en twintigste eeuw. Al bladerend kom je een passage tegen waarin Aristoteles naast Leibnitz wordt genoemd tussen wie bijna tweeduizend jaar ligt. Het is het Godsbeeld dat hen verbindt ('het klassieke Godsbeeld is heel lang dominant geweest'). Laten we het eens wat scherper bekijken, via een gedicht van Vondel dat we vinden in het deel over Religie, getiteld 'Ogenblik gaat voor eeuwig – Vondel & Willem Jan Otten'. Ik citeer een paar regels van het gedicht 'Tegenzang' van Vondel: 'Dat 's God. Oneindig eeuwig Wezen / Van alle ding, dat wezen heeft, / Vergeef het ons; o nooit volprezen / Van al wat leeft, of niet en leeft, / Nooit uitgesproken, noch te spreken.' Wat de filosoof hierover zegt vind ik verduidelijkend: 'Vondel benadrukt hier het tekortschieten van de taal. Verbeelding, tong noch teken kan Hem melden. God heeft geen Naam. Maar er is wel degelijk een begrip mogelijk. Dat is geheel volgens het patroon van de klassieke metafysica. We kennen de werkelijkheid niet via namen, die altijd individueel zijn, maar via universele begrippen...'.

Willem Jan Otten erbij betrekken voegt een nieuwe dimensie toe aan dit thema want wie een traditie verlaat, wordt bevangen door angst. Wat hierme wordt bedoeld, wordt bij lezing duidelijk. Als De Boer zegt: 'Filosofie en poëzie zijn duizenden jaren lang met elkaar in conflict geweest. Afgelopen eeuw zijn de twee rivalen naar elkaar toegegroeid. Naar mijn idee staan ze nu naast elkaar als verschillende manieren om de werkelijkheid te ontsluiten. De eerste door analyse, de tweede door evocatie', dan denk je: 'Ja, daarvoor heb je de poëzie nodig!' Maar Goethe schreef in 1829: 'De kunst moet onafhankelijk zijn van de filosofie, zij heeft door de vrije ontplooiing van natuurlijke menselijke krachten altijd het beste gedijd.' En dat is ook waar. Zo zie je maar hoe ingewikkeld deze materie is en het aardige van dit boek vind ik het grasduinen erin. Zo vond ik het hoofdstuk over Baudelaire, Plato en Pascal getiteld 'De afgrond zit in ons erg leerzaam'. Je leest: 'Bij Plato is de levensleer gebaseerd op een wiskundige manier van denken. Socrates bagatelliseert de dood. Hij leeft gewoon door, raakt alleen wat vervelende ballast kwijt. Tegenover het eeuwig terugkerende stelt Socrates het eeuwig blijvende. Plato vindt houvast in het schouwen van de eeuwig blijvende getallen en ideeën. Platonisch is de gedachte dat geboorte een val in het lichaam is. Voor onze geboorte verkeerden wij bij de 'getallen en de zijnden'. Dat gebied hebben we verlaten, we zijn ervan vervreemd. Ons leven is erop gericht de band met de getallen en de zijnden te herstellen. Op die levenshouding beroept ook de dichter Charles Baudelaire zich aan het einde van zijn gedicht 'Le gouffre'.' Dit gedicht, uit Les Fleurs du mal (1857) geef ik u in het Frans. Dan kunt u de vertaling van Petrus Hoosemans (1989) thuis, met boek erbij, lezen:

 

    LE GOUFFRE

 

    Pascal avait son gouffre avec lui se mouvant.

    – Hélas! Tout est abîme, – action, désir, rêve,

    Parole! Et sur mon poil qui tout droit se relève

    Mainte fois de la Peur je sens passer le vent.

 

    En haut, en bas, partout, la profondeur, la grève

    Le silence, l'espace affreux et captivant...

    Sur le fond de mes nuits Dieu de son doigt savant

    Dessine un cauchemar multiforme et sans trêve.

 

    J'ai peur du sommeil comme on a peur d'un grand trou,

    Tout plein de vague horreur, menant on ne sait où;

    Je ne vois qu'infini par toutes les fenêtres.

 

    Et mon esprit, toujours du vertige hanté,

    Jalouse du néant l'insensibilité.

    – Ah! Ne jamais sortir des Nombres et des Êtres!

 

In dit gedicht zoekt Baudelaire bescherming tegen een gapende leegte en hij zoekt die zekerheid in de zekerheden van de filosofie. Uit de laatste regels spreekt het verlangen nooit 'de getallen en de zijnden' te hoeven verlaten maakt De Boer de lezer duidelijk. En 'De ware zijnden zijn de ideeën van het Ware, Schone en het Goede. De getallen en de zijnden vormen de onzichtbare, vaste grond achter de zichtbare wereld' antwoordt de filosoof op de vraag van de journalist wat men bij 'de zijnden' zich moet voorstellen. Ja, waren wij maar ongevoelig voor het Niets! Je kunt zeggen dat de Europese ziel die verscheurdheid in zich draagt en heimwee heeft naar de wereld van de ideeën met het besef dat het Niets niet ontkend kan worden.

Je bladert door en je belandt bij 'De magie van het woord' met Rainer Maria Rilke & Lucebert; je ziet foto's van Hamid Karzai, president van Afghanistan; daarnaast van Rilke; op de volgende bladzijden het portret van Descartes (1649) door Frans Hals, fotootjes van Indonesië en als laatste een prachtige foto van Lucebert. Je denkt 'wat hebben al deze beelden met elkaar te maken' ? Alles, maar dat weet je pas als je hoofdstuk 23 hebt gelezen. Het begint met een citaat van Antje Krog: 'Poëzie is populair én moeilijk. Dat komt doordat de dichter dicht met haar tong.' Daardoor klinkt het zo goed. Maar achter die mooie klank rijst een probleem. Als taal er is om de werkelijkheid te benoemen, is die taal als muziek dan geen storend element? De Boer: 'De eerste functie van het woord is het ontsluiten van de werkelijkheid.' Om duidelijk te maken hoe de taal dat doet, citeert hij twee regels uit een gedicht van de Australische dichter Les Murray:

 

    Nothing's said till it's dreamed out in words

    and nothing's true that figures in words only.

 

'In de eerste regels staat dat er niets gezegd wordt totdat het niet uitgedroomd is in woorden.'

Als laatste, sluit ik dit stuk met een gedicht van Fernando Pessoa (1888-1935), vertaald in 1978 door August Willemsen. Hij was immers de denkende dichter geobsedeerd door filosofie en daar eindigt zowaar dit boek ook mee: 'Want de enige verborgen zin der dingen / Is dat ze geen enkele verborgen zin hebben. / Het is vreemder dan alles wat vreemd is, / Vreemder dan de dromen van alle dichters / En de gedachten van alle filosofen, / Dat de dingen werkelijk zijn wat ze lijken te zijn / En dat er niets te begrijpen valt.'

Denken over dichten is een mooie uitgave. Nu eens niet een bloemlezing naar thema of de persoonlijke canon van een deskundige, maar een naslagwerk voor lezers die van de dichtkunst meer willen dan slechts het ondergaan. En de filosofie blijkt vele nieuwe invalshoeken te kunnen laten zien. Weldadig geïllustreerd met ondersteunend en ook suggestief beeldmateriaal. Deze bundel verveelt nooit, is het geld volop waard en is naar mijn ervaring iets dat altijd binnen handbereik ligt, dat je openslaat op een willekeurige bladzijde om de vormgeving en binnenwerk van Mark Suvaal nog eens goed te bekijken. En dan maar lezen maar ook vooral kijken.

 

27-1-2015

Begin jaren duizend van deze eeuw kocht ik Spiegel van de Russische poëzie, samengesteld door Willem G. Weststeijn en Peter Zeeman, in 2000 uitgegeven door Meulenhoff, en vertaald door een twintigtal mensen. Bij Perdu schafte ik een jaar of twee geleden de tweetalige editie Alexander Poesjkin, Jevgeni Baratynski, Fjodor Tjoettsjev Gedichten aan, gekozen en vertaald door Frans-Joseph van Agt, met een voorwoord van Jan Paul Hinrichs, in 1999 door Plantage in Leiden uitgegeven. Jewgeni Onegin van Poeskin had ik al sinds de jaren negentig in mijn kast staan; en Kwartet: Osip Mandelsjtam, Anna Achmatova, Marina Tsvetajeva, Boris Pasternak vertaald en van commentaar voorzien door Charles B. Timmer was in 1984 mijn eerste Russische bloemlezing, samen met Europese Nacht: Vladislav Chodasevitsj, Georgij Ivanov, Boris Poplavskij vertaald en van nawoord voorzien door Jan Paul Hinrichs.

Onlangs besloot ik mijn artikel te wijden aan de Bloemlezing van de Russische poëzie, samengesteld en vertaald door Marja Wiebes en Margriet Berg. Vreemd vind ik wel dat de eerst genoemde bundel echt nergens meer te krijgen is, de tweetalige editie van Plantage evenmin en Kwartet, nog slechts bij twee antiquariaten. Mijn voorkeur gaat uit naar de eerstgenoemde twee bundels omdat ik het voorwoord in deze bundels interessant en leerzaam vind.

Ik zal in mijn artikel vooral gebruik maken van de recensie van Jan Paul Hinrichs uit het NRC van 11 mei 2012, getiteld Russische gedichten in Nederlandse vertaling, Eenmaal kom ik je in Petersburg weer tegen. Waarom kies ik om het over de bundel van Wiebes en Berg te hebben? Omdat hij bij Perdu te krijgen is, en niet duur. De bundel omvat bovendien een tijdsbestek van vier eeuwen. Daarnaast hebben wij afgelopen jaar bij Perdu een aantal avonden besteed aan de moderne Russische dichters. Is het dan niet aantrekkelijk om weer even in de tijd terug te gaan met deze omvangrijke bundel die begint met Gavrill Romanovitsj Derzjavin (1743-1816) en eindigt met Daniil Ivanovitsj Charms (1905-1942)! Een hele lange periode waarin vijftig dichters aan het woord komen.

Over deze bundel is door Arie van der Ent erg negatief geschreven in het NRC van 9 januari 1998 in een artikel getiteld 'Lucht, gehuld in nevelvlagen'. Marko Fondse reageerde hier onmiddellijk op in het NRC van 23 januari van datzelfde jaar. Hij schrijft het volgende in zijn artikel getiteld 'Russische poëzie': 'Met afgrijzen las ik Arie van der Ents bespreking van Berg & Wiebes' Bloemlezing van de Russische poëzie. Afgrijzen om vele redenen. Om te beginnen: die apodiktische toon. Verder: Moet die hele zinloze "discussie" over het behoud van rijm en metrum weer ter tafel komen? Letterlijke vertalingen van poëzie leveren vrijwel nooit iets op. Wie leest poëzie letterlijk? De andere, metrisch-rijmende aanpak, mits in meestershanden, kan tot evenwaardige equivalenten leiden.' En hij zegt verder: 'Er staan in deze bloemlezing vertalingen, naar Blok bijvoorbeeld, die ik hoger aansla dan de originelen, ware het alleen maar omdat diens pathetiek wat is afgezwakt in het herscheppingsproces. Ik beschouw dat persoonlijk als winst.' Wat mij het meest interesseerde is de vertaling. Hoe hebben de dichters een bepaald gedicht vertaald? Om met Blok (1880-1921) te beginnen, kies ik dit gedicht uit 1912, vertaald door Berg en Wiebes.

 

    Nacht, straten, apotheek, lantaren

    Een zinloos schijnsel in de mist.

    Al leef je nog eens twintig jaren –

    Geen uitweg – alles is beslist.

 

    Je sterft en wordt opnieuw geboren,

    Alles herhaalt zich vroeg of laat:

    Rimpels in het kanaal bevroren,

    Nacht, apotheek, lantaren, straat.

 

Je kunt dit herhalen, maar dan met de vertaling van Peter Zeeman uit de ander genoemde bundel, Spiegel van de Russische poëzie. Dan krijg je iets heel anders en dat maakt het spannend; de vraag 'wat beter is' is volgens mij zinloos.

 

    Nacht, straat, drogisterij, lantaren,

    Een ongerijmd en troebel licht.

    Ook al verstrijken vele jaren –

    Geen uitweg, alles blijft ontwricht.

 

    Je sterft en treft na herbeginnen

    De wereld in haar oude staat:

    Nacht, gracht, ijskoude rimpelingen,

    Drogisterij, lantaren, straat.

 

Met Osip Mandelstam (1891-1938) kun je hetzelfde doen en de vertalingen vergelijken. Het gaat hier om de eerste strofe van het gedicht getiteld 'Petropolis' uit 1916. In de vertaling van de twee dames luidt het als volgt:

 

    Ik heb het koud. Petropolis is al

    Door 't ijle voorjaar met groen dons behangen,

    De deinende Nevá kan als een kwal

    Mij met een lichte tegenzin bevangen.

    Er vliegen kevers en libellen hier.

    En langs de kademuur van de rivier

    Schijnen de autolichten al van verre.

    Als gouden spelden twinkelen de sterren.

    Maar geen van deze sterren kan het aan

    Het zwaar smaragd der golven neer te slaan.

 

De vertaling van Peter Zeeman klinkt weer heel anders. En ja, wat vindt de lezer het beste?

 

    Ben koud. Een transparante lente deed

    Petropolis in lichtgroen dons ontwaken,

    Maar 't woelig water van de grachten weet,

    Gelijk een kwal, mij misselijk te maken.

    De glimwormen van auto's schieten voort

    De kade langs van de rivier in 't noord.

    Er vliegen stalen kevers en libellen,

    De hemel is bezaaid met gouden spelden,

    Maar geen der sterren evenaart de kracht

    Van het massieve, golvende smaragd.

 

Hinrichs schrijft in een recensie getiteld 'Russische gedichten in Nederlandse vertaling' in 't NRC van vrijdag 11 mei 2012 het volgende over deze bundel: 'De keuze van Wiebe en Berg is tamelijk traditioneel. Hun boek heeft eerder het karakter van een overzicht dan van een persoonlijke interpretatie van het beschikbare materiaal: de grote dichters staan erin, en ter complementering van het plaatje zijn wat minder grote maar nog wel "vooraanstaande" dichters die niet eerder in Nederland vertaald waren van stal gehaald.' Hij heeft 't over Denis Davydov, de bohémien Anton Delvig en Vasili Zjoekovski.

Van Delvig (1798-1831) vind ik de eerste en de laatste strofen van het gedicht getiteld Inspiratie heel aardig: 'Niet vaak wordt inspiratie ons gegeven, / Ze zet de ziel in gloed, heel even maar; / De lieveling der muzen koestert haar / Zoals een martelaar zijn afscheid van het leven.' Het gedicht eindigt met deze terzine: 'Eer wordt door hem als hoogste deugd erkend, / Gelaster wreekt hij met zijn groot talent. / En evenals de goden zal hij nimmer sterven.'

Hinrichs vindt het jammer dat bepaalde gedichten ontbreken zoals de gedichten 'Het is niet goed beroemd te wezen' van Boris Pasternak en 'Voor de spiegel' van Chodasevitsj; maar daar staan verrassingen tegenover zoals het gedicht 'Ergens in de buurt van Magadan' (1956) van Zabolotski (1903-1958). De laatste regels van dit gedicht uit 1956 vind ik zeer aangrijpend, niet iets wat je snel vergeet: 'Zonder elkaar aan te kijken zonken – In de sneeuwstorm die rondom hen floot – Op de koude sneeuwbedekte stronken / De oude mannen neer en vroren dood. / Paarden, uitgewerkt, aan 't eind gekomen, / 't Sterfelijk bestaan was opgebrand, / Teder werden zij door zoete dromen / Snikkend weggevoerd naar 't verre land. / En geen wacht kan hen nu nog bereiken, / Geen konvooisoldaat pakt hen nog aan, / Slechts de opgekomen sterren kijken / Uit de hemel neer op Magadan.'

Over het vertaalwerk van Berg en Wiebes zegt Hinrichs nog dat zij zich behalve in hun keuze ook in hun versificatie nadrukkelijk dienstbaar opstellen als vertalers en niet als verkapte dichteressen. Ze slagen er vrijwel steeds in rijm en metrum te bewaren zonder veel van de inhoud prijs te geven, want de kwaliteit van hun werk blijft tamelijk constant. Als naar mijn idee de fabels van Ivan Krylov en de gedichten van Ivan Boenin en Daniil Charms er kwalitatief toch uitspringen, is dat wellicht omdat Wiebes en Berg veel meer van deze auteurs hebben vertaald en er dus beter inzitten. Van Boenin die bevriend was met Tsjechov, Gorki en Tolstoj en die in 1933 als eerste Russische schrijver de Nobelprijs voor de Literatuur toegekend kreeg voor Het leven van Arsenjev, dit ongetiteld gedicht uit 1916:

 

    Blauw behang dat helemaal vervaald is,

    Slechts waar een portretje weggehaald is,

    Is de kleur gebleven, enkel daar,

    Waar de foto's hingen, jaar na jaar.

 

    Van al wat het liefhad in het leven

    Is het hart maar weinig bijgebleven,

    Slechts van hen die niet meer zijn op aard

    Is het onvergeetlijk spoor bewaard.

 

Ook uit 1916, dit gedicht dat in zijn ongenaakbare strakheid aan Ida Gerhardt doet denken:

 

    Eens komt de dag dat ik verdwijn,

    En hier, waar ik dan niet meer woon,

    Zal alles nog hetzelfde zijn:

    De bank, de tafel, de icoon.

 

    En net als nu vliegt hier dan weer

    Een bonte zijden vlinder rond,

    Hij snort en fladdert op en neer

    Tegen het lichtblauwe plafond.

 

    En net als nu kijkt van omhoog

    Door 't open raam de hemelboog,

    En lokt de effen blauwe zee

    Een ieder naar haar verten mee.

 

Boenins werk wordt vaak vergeleken met het proza van Toergenjev, Tolstoj, Tsjechov en Proust. Zijn invloed op schrijvers na hem is echter beperkt gebleven. Voor hen die zijn werk kennen en bewonderen blijft hij een grootheid uit een voorgoed verdwenen tijdperk.

Van Afanasj Afanasjevitsj Fet (1820-1892) vind ik dit werkwoordloze gedicht 'Fluistring, zachte ademhaling' uit 1850 heel bijzonder, 'niet alleen in het Russisch maar ook in het Nederlands een wonder van gecomprimeerdheid', zegt Hinrichs.

 

    Fluistring, zachte ademhaling,

    Nachtegalenlied,

    Rimpelingen, zilvren straling,

    Slaperige vliet.

 

    Een betoverend geflonker

    In het avondlicht,

    Tijdloos spel van licht en donker

    Op een lief gezicht,

 

    Ambren weerschijn, wolkjes tussen

    Rozenrood granaat,

    En een vloed van tranen, kussen,

    En de dageraad!..

 

Deze recensent zegt verder ook dat het gedicht 'Een dag van Daniil Charms', geschreven in het jaar 1937, 'uit de pen van Paul van Ostaijen lijkt te komen':

 

    En daar zwemt een vis in de koele rivier,

    En daar staat een huisje, een heel eind van hier,

    En daar dreigt een hondje een koe met geblaf,

    En daar bij de berg rijdt Petrov op een draf,

    En daar op het huis staat een vlag in de top,

    En daar op het veld komt het koren al op,

    En zilver van 't stof zijn de blaadjes rondom,

    En overal gonst het van vliegengebrom,

    En daar worden meisjes in 't zonnetje bruin,

    En overal bijengezoem in de tuin,

    En daar is een gans die de vijver in glijdt,

    En zo gaat de dag weer voorbij als altijd.

 

En als laatste dit gedicht van Mandelstam uit 1920 dat zo onnavolgbaar knap vertaald is dat het gewoon Mandelstam is:

 

    Eenmaal kom ik je in Petensburg weer tegen,

    Als begroeven wij de zon er in de grond,

    En het zinloos woord, zo rijk aan zegen,

    Komt dan voor het eerst uit onze mond.

    In de sovjetnacht, fluweelzwart overtogen,

    In 't fluweel van 's werelds ijdelheid,

    Zingen nog de zegenrijke vrouwenogen,

    Bloeien nog de bloemen tot in eeuwigheid.

 

Mijn grote favorieten zijn Ivan Boenin, Afanasj Fet, Anton Delvig en Daniil Charms. En u?

 

8-12-2014

Fernando António Nogueira Pessoa (Lissabon, 13 juni 1888 – 30 november 1935) is een van de betekenisvolste dichters in de Portugese literatuur en een van de belangrijkste uit de twintigste eeuw. Wij hebben nu van hem beschikbaar de prachtige edities: Alvaro de Campos Gedichten 1913-1922, met een commentaar en verhelderend nawoord van vertaler August Willemsen; De metafysische ingenieur en andere gedichten 1923-1935, deze bundel is het tweede en laatste deel van de gedichten die werden geschreven onder het dichterlijke heteroniem Álvaro de Campos; Heimwee naar vereeuwiging, vertaald door Maarten Asscher en August Willemsen; Brieven 1905 – 1919. Deze bundels, door De Arbeiderspers uitgegeven, zijn allen tweetalig. Daarnaast heeft Perdu de bundel In ons leven tallozen, een bloemlezing die maar 12,50 kost, en is samengesteld door Maarten Asscher en vertaald door Willemsen in een Rainbow-pocketboek uitgegeven door Muntinga.

Over Pessoa hebben wij van Norbert de Beule, Boekhouder der Rusteloze, een paperback van uitgever Contact uit 2009, die al lang op de plank ligt. Een leuk boekje met veel citaten! Van Hagar Peeters Loper van licht en van Bernlef Tweede ruimte waarin Pessoa ter sprake komt als belangrijke inspirator. Allemaal bundels die u als poëzieliefhebber zou moeten hebben. Ze zijn 't geld volop waard. In de omschrijving die Perdu er bij geeft, kunt u lezen wat elke bundel precies behelst. Het boek dat u meteen moet kopen als u 't ziet is het ik als vreemde van August Willemsen die over de achtergrond en het ontstaan van de heteroniemen die Pessoa heeft bedacht een poging tot interpretatie geeft. In 't laatste hoofdstuk getiteld 'De dichter als veinzer' lees ik 'Pessoa is de homo ludens in persoon'. Zo wil ik deze dichter ook graag zien. Zijn spel der heteroniemen zie ik ook als een spiegel die hij de lezer voorhoudt om de wereld herkenbaar te maken. Dit mooie boek over de dichter uit het jaar 2000 is jammer genoeg moeilijk of niet meer te krijgen.

Oden (2002), verschenen onder heteroniem Ricardo Reis, is maar bij één Antiquariaat te vinden voor 89,20. Boek der rusteloosheid uit 2011, dat momenteel bij ons even niet te krijgen is, is wel bij de Boekwinkeltjes volop aanwezig. Fernando Pessoa Gedichten, keuze, vertaling en nawoord van August Willemsen uit 1978 is ook antiquarisch te vinden. Deze laatste vier bundels zijn nou net degenen die ikzelf heb, waaruit ik zal citeren. Maakt het uit wat je hebt? Niet echt. 't Is Genoeg om erover te schrijven.

Nu iets over de dichter zelf: Zijn vader, Joaquim de Seabra Pessoa, muziekcriticus van de Diario de Noticias, sterft in 1893 (als hij 5 jaar is) aan tuberculose. Zijn moeder, Maria Madalena Pinheiro Nogueira Pessoa, afkomstig van een cultureel ontwikkelde familie op de Azoren, hertrouwt in 1895 met Joao Miguel Rosa, benoemd tot Portugese consul in Durban, Zuid-Afrika. Het gezin vertrekt het jaar daarop naar Zuid-Afrika waar Pessoa Engels leert spreken en schrijven. Hij maakt er kennis met het werk der allergrootsten: John Keats, William Shakespeare, John Milton, William Wordsworth, Edgar Allan Poe, Lord Byron, Charles Dickens en Thomas Carlyle. Van zijn moeder leert hij Frans en op school Latijn. Al snel begint hij met schrijven van poëzie en proza in het Engels met als pseudoniem Alexander Search. In 1905 vertrekt de jonge Pessoa terug naar Lissabon waar hij zich op de Franse symbolisten stort: Charles Baudelaire, Arthur Rimbaud, Paul Verlaine en Jules Laforgue en op de grote Portugese klassieken uit de 16de eeuw, Luís de Camões en uit de 19de eeuw Almeida Garrett, Antero de Quental, Antonio Nobre, Cesario Verde, Guerra Junqueiro, Camilo Pessanha, Eugénio de Castro.

Pessoa is nooit getrouwd geweest, en bekend van hem is dat zijn isolement zijn roeping en zijn lot is. Hij schrijft dat 'leven niet noodzakelijk is, scheppen daarentegen wel'. Hij staat bekend als 'een verkillende, lucide, sfynxachtig, afwezige man' volgens zijn bekende Nederlandse vertaler August Willemsen. Vanaf 1908 is hij hulpboekhouder, freelance vertaler en handelscorrespondent voor de rest van zijn leven. Hij wilde altijd obscuur blijven, onbekend, daarna mocht de roem komen; en hij wilde ook nooit gefotografeerd worden. Een van zijn mooiste citaten over zijn eenzaamheid luidt als volgt: 'Het is het alleen-zijn van degene die te ver is voorgeraakt op zijn reisgenoten.' Pessoa sterft op 30 november 1935 aan alcoholvergiftiging. Zijn laatste woorden zijn volgens de literaire biografie: 'Geef me mijn bril!' En zijn laast geschreven woorden: 'I know not what tomorrow will bring.'

Van de dichter is bekend dat hij schreef in naam van anderen. Vele heteroniemen waarvan de meest bekenden zijn: Alberto Caeiro, Ricardo Reis en Alvaro de Campos. Nog vele anderen waaronder Bernardo Soares die auteur zou zijn van het Boek der rusteloosheid, vertaald en van een nawoord voorzien door Harrie Lemmens waarover Nicolaas Matsier in NRC Handelsblad, 11 mei 1990, schreef: 'een schepping van de eerste orde, een van de grote werken uit de wereldliteratuur' en 'er is vrijwel geen schrijver te bedenken die zozeer uitmunt in scheermesscherpe zelfkarakteriseringen'. Uit deze bundel, deze citaten die mij altijd zijn bijgebeleven: 'Het isolement heeft mij gevormd naar zijn beeld en gelijkenis. De aanwezigheid van een ander – al is het maar een persoon – remt mijn denken, en terwijl het contact met een ander bij een normaal mens stimulerend werkt op zijn zeggingskracht, werkt het bij mij contrastimulerend, als je die samenstelling kunt maken.' (24 maart 1930), 'Alleen wat wij dromen zijn we werkelijk zelf, want de rest behoort, omdat het al werkelijkheid is, aan de wereld en iedereen.' (15 mei 1932) En 'Het leven is een onvrijwillig gemaakte reis. Een reis van de geest door de materie, en omdat het de geest is die reist, leven wij in de geest. Daarom hebben veel beschouwende zielen intenser, grootser en stormachtiger geleefd dan zielen die naar buiten gericht leefden. Alleen het resultaat telt. Wij beleven wat wij voelen. We worden net zo moe van een droom als van zichtbaar werk. We beleven nooit zoveel als wanneer we veel denken.' (23 juni 1932) Een van zijn mooiste gedichten vind ik deze, geschreven op 6 januari 1923 onder zijn eigen naam Pessoa en gepubliceerd in Cancioneiro / Liedboek:

 

    Ik ben niets, kan niets, volg niets na.

    Ik draag mijn zijn, illusie, waar ik ga.

    Begrip begrijp ik niet, kan nergens lezen

    Of ik zal zijn, niets zijnd, wat ik zal wezen.

 

    Hiernevens, wat niets is, onder 't azuur

    Der wijde hemel, wekt me elk ijdel uur

    Een zuidenwind die siddert in het lover.

    Gelijk hebben, winnen, in liefde geloven

 

    Zijn aan illusie's dode mast verstard.

    Dromen is niets, niet weten is onnut.

    Slaap in de schaduw, o onzeker hart.

 

Pessoa is pas na 1950 ondekt. Vreemd maar waar! Dat hij geldt als een van de allergrootste Europese dichters staat nu wel vast. In de jaren zestig is zijn poëzie vertaald in het Frans, Spaans, Duits, Engels, Italiaans en Tsjechisch. Zijn gedichten lopen in karakter en stijl heel erg uiteen. Hij heeft dan ook drie verschillende dichters gecreëerd. Alberto Caeiro is een dichter die zijn leven op het platteland doorbrengt, bij zijn oude tante woont, alles ziet als een eenvoudig mens, geen beroep heeft en heldere, vrije, ongedwongen verzen schrijft, zoals bv. dezen in De hoeder van kudden (1914):

 

    Ik geloof niet in God omdat ik hem nooit heb gezien.

    Als hij zou willen dat ik in hem geloofde,

    Zou hij ongetwijfeld met mij komen praten

    En mijn kamer binnenstappen

    En mij zeggen, Hier ben ik!

    (…) Maar als God de bomen en de bloemen is

    En de bergen en het maanlicht en de zon,

    Waarom noem ik hem dan God?

    Ik noem hem bloemen en bomen en bergen en zon en maanlicht;

    Want als hij, opdat ik hem zou zien,

    Zich zon gemaakt heeft en maanlicht en bloemen en bomen en bergen,

    Als hij mij verschijnt zijnde bomen en bergen

    En maanlicht en zon en bloemen,

    Dan is het omdat hij wil dat ik hem ken

    Als bomen en bergen en bloemen en maanlicht en zon.

 

    En daarom gehoorzaam ik hem,

    (Wat weet ik meer van God dan God van zichzelf?),

    Ik gehoorzaam hem door te leven, spontaan,

    Als wie de ogen openslaat en ziet,

    En ik noem hem maanlicht en zon en bloemen en bomen en bergen,

    En ik heb hem lief zonder aan hem te denken,

    En ik denk mij hem door te zien en te horen,

    En ik ga met hem op ieder uur.

 

Deze man, leermeester van beide anderen, sterft in 1915 aan tbc omdat hij voor Pessoa té eenvoudig en té moeilijk is. Hij aanvaardt net als de twee anderen de ledigheid van het bestaan en lacht om die 'zieke' filosofen die overal iets achter zoeken. Hij vindt dat denken een ziekte van de mens is. Een simpele ziel dus die misschien begerenswaardig is, maar zichzelf opheft door zijn tegenstrijdigheden. Zijn leerling, Ricardo Reis, is opgevoed door de Jezuïeten, beïnvloed door de klassieken en werpt zich op het vraagstuk van het 'Niets'. Hij is veel onrustiger dan zijn leermeester, misschien wel fatalistisch of gewoon platonisch; en hij schrijft dan ook in metrische verzen met een vast en streng patroon.

Uit Oden kies ik dit gedicht geschreven op 4 november 1923:

 

    Ik vraag naar de naamloze toekomst niet Die ik zal zijn, immers,

    Hoe zij ook zij, haar moet ik leven. De ogen

    Haal ik af van morgen.

    Ik haat wat ik niet zie. Kon ik het in

    Een afgrond zien, ik zou

    Het in de afgrond laten. Ik leef mijn leven

    En ik sluit mijn deur.

 

En deze, geschreven op 31 mei 1927:

 

    Plechtig glijdt boven het vruchtbaar land

    De witte wolk, vluchtig en nutteloos,

    Die in één zwart moment een koele bries

    Optilt vanuit de velden.

    Zo zweeft hoog in mijn ziel traag de gedachte

    Die mijn geest verduistert, maar reeds keer ik,

    Als tot zichzelf het land, terug tot het daglicht,

    Oppervlak des levens.

 

En wie is Alvaro de Campos? Van hem wordt gezegd dat hij vrijwel niets te maken heeft met de andere twee. Van hem zegt Willemsen dat hij 'frenetieke, langregelige poëzie' schrijft, 'die van triomfantelijk futurisme en woordengedaver overgaat in vermagerende twijfel'. Met deze mens wil de dichter alles voelen en zeggen over zichzelf op ironische en metafysische wijze. De ontoereikendheid en de leegte van het bestaan worden door deze mens het beste uitgedrukt, op ironische wijze. Ik moest om deze gedichten het meeste lachen. Uit de bundel Poesias deze strofen van een gedicht getiteld 'Lisbon revisited' (1923):

 

    Wilde u mij getrouwd, nietszeggend, alledaags, belastingplichtig?

    Wilde u mij juist het tegendeel daarvan, het tegendeel van iets?

    Als ik iemand anders was, gaf ik u allemaal uw zin.

    Zó echter, als ik ben, pech gehad!

    Loop naar de duivel zonder mij,

    Of laat mij in mijn eentje naar de duivel lopen!

    Waarom moeten we samen gaan?

 

En op 26 april 1926 deze strofen:

 

    O, arme ijdelheid van vlees en botten, mens geheten,

    Zie je dan niet dat je werkelijk volkomen onbelangrijk bent?

 

    Je bent belangrijk voor jezelf, want jij bent dat wat je je voelt.

    Je bent alles voor jezelf, want voor jezelf ben je het heelal,

    En het echte heelal en alle anderen

    Satellieten van je eigen objectieve subjectiviteit.

    Je bent belangrijk voor jezelf want jij alleen bent voor jezelf belangrijk.

    En als jij zo bent, o mythe, zouden dan de anderen niet net zo zijn?

 

Ik eindig met de bekende eerste regels uit het gedicht Tabacaria, gedateerd 15 januari 1928: 'Ik ben niets / Ik zal nooit iets zijn / Ik kan ook niet iets willen zijn / Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.' En met een aforisme waar het moeilijk is het oneens mee te zijn: 'De mens weet niet meer dan de andere dieren; hij weet minder. Zij weten precies wat ze moeten weten. Wij niet.'

Pessoa zei over zichzelf dat hij een denkende dichter was, geobsedeerd door de filosofie. De heteroniemen zijn eigenlijk spiegels, ontdaan van valse sentimenten en emoties, waarin Pessoa naar zichzelf kijkt en een eigen wereld creëert waarin het spel kan worden gespeeld met de ideeën en de karakters die hij bedacht. Noodzakelijk, aantrekkelijk, onvermijdelijk is deze dichter voor het begrip van het wezen van Literatuur en Poëzie. Sla zijn bundels open op een willekeurige bladzijde en je blijft lezen, je geest verdrinkt in zijn wateren en je wil niet meer bovenkomen. Dankzij August Willemsen (1936-2007), groot vertaler van zijn werk en schrijver van het onvindbare boek het ik als vreemde kunnen wij blijven genieten van deze unieke dichter. Ik zou graag nog eens de film willen zien die de VPRO op vrijdag 28 mei 1982 uitzond op Nederland 1 met Willemsen en een figurant die Pessoa speelt.

 

17-11-2014

Tot mijn grote verbazing zag ik enkele weken geleden in de goedkope bakken van Perdu twee bundels liggen die mij erg bekend voorkwamen. Ik had ze zelf al sinds de jaren tachtig op mijn planken staan. Afval van Erik van Lavieren (1929-1947) en van Jacques A. Waterman (1928-1975) Album en Maanden, jaren; de eerste in 1970 en de tweede in 1973 door De Arbeiderspers uitgegeven. Waren deze dichters bekend? Niet echt. Waren zij de moeite van het lezen waard? Zeker.

De titel Afval van Erik van Lavieren heb ik altijd erg aardig gevonden omdat de dichter zijn stukjes proza, verzen, brieven, fragmenten van toneelstukjes en andere proeven zelf zo noemde. Zijn vader heeft 'de letterkundige probeersels' van zijn zoon bijeengebracht en laten drukken, maar nooit in de handel gebracht. Deze uit twee delen bestaande verzameling is zó zeldzaam geworden dat hij alleen tweedehands te krijgen is voor 84,80 euro. We lezen in de inleiding van Deel I: 'Het is evenwel in het geheel mijn bedoeling niet deze bundel “poëzie” of “letterkunde” te noemen, noch als zodanig te presenteren. Men kan en mag dan ook dit bundeltje afval niet beoordelen naar een maatstaf waarmee gewoonlijk voldragen werk gemeten wordt, doch men neme het voor wat het m.i. is (…) Met de keuze van de gedichten werd hij geholpen door "een van Erik's vrienden, Jac. v.d.M. met wie hij dikwijls zijn werk had besproken ..." Een goed gedicht van hem vind ik:

 

    Factor

 

    ik leef, maar mij leven de dingen,

    zoals een as draait met een rad

    draai ik mee in de wentelingen

    van macht en voorwerp. In een stad

    van existenties kameraad,

    katrol over een kabel tijd,

    factor te zijn, enige draad;

    meer weet ik niet met zekerheid.

 

De bundels van zijn vriend, Jacques Waterman, zijn veel bekender en zijn destijds door de pers besproken. Sitniakowsky besprak in de Telegraaf van 1 maart 1972 de bundel Album als volgt: 'Twee jaar geleden verscheen er bij de Arbeiderspers een bundel gedichten van Jacques A. Waterman, die èn om z'n inhoud èn om z'n uiterlijk verbazing wekte. De bundel heette heel toepasselijk "Album", want het bandje was van rood velourskarton met gouden letters, en de gedichten hadden een merkwaardige 19de-eeuwse toon, die de critici niet erg goed konden thuisbrengen. Waterman wordt door deze recensent 'een ongeloofwaardig fenomeen' genoemd. Wat we weten van deze dichter is dat hij 23 april 1928 werd geboren als oudste zoon van een hoogleraar in de chemische technologie, en later zelf chemie studeerde; dat hij onder meer werkte in de Verenigde Staten; en op het Shell Laboratorium in Amsterdam, veel op wetenschappelijk gebied publiceerde, en een aantal patenten op zijn uitvindingen heeft gekregen. Waterman zat gedurende de oorlogsjaren in verschillende concentratiekampen waar hij als desinfector werkte, onder andere in Theresienstadt. In de jaren zeventig is hij als scheikundig ingenieur in Haifa, Israël, gaan werken, waar hij 10 oktober 1975 overleed. Je kunt niet zeggen dat de oorlogsjaren als herinnering zijn poëzie hebben beïnvloed. De enige regels van hem die daarover gaan zijn deze over een opengebroken kast:

 

    We hebben laten gassen.

    Wij hebben zwavel gebrand,

    De flitspuit laten plassen,

    Kapotgehakt de wand,

    Ruw hout glad laten schaven

    Wat bleef, dat was de schand.

 

Dat deze dichter niet echt bekend is geworden, heeft te maken met zijn ouderwetse inslag. Daarnaast doen zijn gedichten eerder denken aan verhaaltjes op rijm met een dromerige, irreële ondertoon. Waterman zegt over zichzelf: 'Mijn ouders hadden veel 19de-eeuwse literatuur, en die ben ik al heel jong gaan lezen.' Hij heeft zelf nooit de moeite genomen om zijn bundel naar een uitgever te sturen. De 26 gedichten uit Album zijn gekozen – en wel door Komrij – uit een gigantisch pak dat hem werd toegestuurd. In Elseviers Literair supplement van 10 oktober 1970 kunnen wij lezen hoe dit is gebeurd. Komrij citeert in dat nummer Hans van Straten die over Waterman zegt: 'Op een zaterdagmiddag in de zomer van 1948 is hij, nadat daar tevoren langdurig over was gepraat, door onze gemeenschappelijke vriend Jac (van der Meulen) meegetroond naar mijn kamer in Leiden om wat verzen voor te lezen. Ook Jan Vermeulen en Jan Wolkers waren van de partij. Waterman bleek een stille en bescheiden knaap te zijn, niettemin haalde hij een omvangrijk pak gedichten te voorschijn en begon te lezen. Hij raakte daarbij in een soort trance (…) hij kwam kennelijk zozeer in de ban van zijn eigen poëzie, dat er niets anders meer voor hem bestond.' Komrij vond het prettig dat Waterman na een lange tijd van dichterlijk zwijgen toch weer productief werd. In Elsevier staan drie gedichten van hem: 'Evert, de thuispatiënt', 'Op weg' en ''s Winters aan het strand', waarvan de laatste twee niet in de bundels zijn opgenomen. Uit Album, een gedicht van de toen negentienjarige jongeman:

 

    Afscheid

 

    Geleerden en doktoren,

    Veel moeite en veel tijd

    Heb ik aan U verloren.

    Maar, wees tevreê, ik lijd

    Niet meer om al het schone

    Dat mij zo is ontgaan,

    Want weldra zal ik tronen

    Ergens hier ver vandaan.

 

    Tot weerziens, kameraden,

    Ik moet uit 't leven gaan.

    Ik had graag door mijn daden

    U allen stom doen staan.

    Daar kan nu niets van komen,

    Kom tijd en kracht tekort.

    Mij rest alleen wat dromen

    Totdat het morgen wordt.

 

    De wolk is afgedreven.

    Hoe fris de morgengeur.

    Graag bleef ik nog wat leven:

    Dit leven, rijk van kleur.

    't Zou niet de moeite lonen.

    Ik moet verscheiden gaan.

    En eenzaam zal ik tronen

    Ergens hier ver vandaan.

 

De meeste gedichten uit deze bundel bestrijken de jaren 1948 tot en met 1952. Dan een hele tijd niets tot 1969 met 'Weg Kennis', 'Desegregatie' en het titelgedicht. Van deze drie gedichten kies ik het eerste:

 

    Weg kennis

 

    Zij trokken per jeep de woestijn in,

    En toen 't met hun zwerflust gedaan was

    Vroegen zij aan een groep Bedouinen

    Of 't rechts, links of rechttoe-rechtaan was.

 

    'Rechts' luidde 't advies dezer heren.

    'Lejamin': Aldus werd beslist.

    Twee dagen daarna rubriceerde

    De radio hen als vermist.

 

Over Maanden, jaren schrijft Karel Soudijn in het NRC Handelsblad van 4 mei 1973 dat Waterman in de traditie past van 'het op een wat dwaze manier schrijven over nogal sombere onderwerpen'. Als voorbeeld deze gedichten die mij troffen:

 

    De dood loert haast uit alle nissen ...

 

    De dood loert haast uit alle nissen

    Om zich er van te vergewissen

    Of ik hem al herbergen kan.

    Hij nam er goede nota van,

    Dat ik reeds sedert dertien maanden

    Mij aan een strohalmpje houd staande:

    Zal weldra in een handomdraaien

    Die laatste kans doormidden maaien.

 

    (vóór 1948)

 

    --

 

    Verharding

 

    De steentjes uit de perken

    Daarginder naast het kiezelpad

    Zijn kleingeklopte zerken

    Uit de omgeploegde dodenstad,

    Die dertigduizend man bevatt',

    Aanvankelijk beweend, vereerd,

    Daarna door mier en worm verteerd,

    Tenslotte met een schop verspreid

    En uitgestrooid door de eeuwigheid.

 

    (1949)

 

    --

 

    De vondst der eeuw:

 

    Een boer was op een dag aan het spitten.

    Weet je wat hij in de grond vond zitten?

    Vijfhonderdduizend mensenskeletten

    En drie verroeste waterclosetten.

    En het morgenblad schreef: 'Wat een sensatie

    De vondst der eeuw – en in onze natie! –

    Deed deze boer bij zijn dagelijks slaven:

    Het grootste der massagraven.

 

    (1971)

 

Ja, een hele eigen toon heeft deze dichter die luchthartig maar ook hartroerend dicht over ernstige en zwaarmoedige zaken. Is dat humor? Ironie? Misschien. Of een uitkomst. De tweede vriend van Waterman was Jac van der Meulen (1928-1998) van wie twee bundels zijn verschenen bij Brumes Blondes: De uiterste palen der ballingen (1999) en IJsvariaties (2005). Tijdens zijn leven heeft hij eind jaren vijftig en begin jaren zestig in een, zoals hierboven gezegd, onbekend surrealistisch tijdschrift Kaf t gepubliceerd. Ik heb deze gedichten eruit gekozen: 'Woordspelig', nummer 6, juni 1959; en 'Requiem voor een hamster', nummer 4, november-december 1958.

 

    Woordspelig

    voor jan j schoonhoven

 

    langzaam en niet meer nadrukklijk

    mijn gelijk bekennen

    nog nauwelijks zaadkrachtig

    en al niet meer bevend

    mijzelf opheffend

    reeds vol geluk

    en lachend betraand

    bijna voorgoed vergeten

    mijzelf opheffen

 

    --

 

    Requiem voor een hamster

 

    op een dag doodgaan

    een regenloze redeloze dag

    hulpeloze hamster ween

    tranenloos ween nimmer

    voorgoed vrijdags vertrokken

    uit een rusteloze knagende verveling

    van een glazen dagelijksheid

    in de eeuwigheid.

 

Deze dichters, alle drie geboren eind jaren twintig van de vorige eeuw, waren jeugdvrienden die elkaar in de poëzie hebben gevonden. Vanaf hun achtste jaar zijn ze gaan dichten, ieder op zijn eigen manier. Waterman en Erik van Lavieren waren de joodse vrienden van Jac van der Meulen die op een goeie dag in 1942 tijdens de les aardrijkskunde door de SS zijn opgepakt. Waterman en Van der Meulen hebben hun hele leven contact gehouden en elkaars gedichten gelezen. Erik van Lavieren is heel jong gestorven. Van Van der Meulen is in 1999 een bundel verschenen, getiteld De uiterste palen der ballingen. Daarin is het eerste gedicht, 'Herinneringen aan 1944', gedateerd 1946, in een schoolschrift gevonden. Een zeer moeilijk te krijgen bundel, uitgegeven door Brumes Blondes.

Als u de bundels van Waterman bij Perdu koopt is het wel aardig om dit alles te weten.

 

10-11-2014

Drie dichteressen van dezelfde generatie. Van ouder naar jonger: Esther Jansma, Ilse Starkenburg en Hagar Peeters. Drie heel bijzondere vrouwen. Esther Jansma is in december 1958 geboren. Zij is dichteres en archeologe, gespecialiseerd in houtonderzoek, waaronder datering van de groeiringen in bomen. In 2007 werd ze benoemd tot bijzonder hoogleraar dendrochronologie en paleo-ecologie aan de faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht. Zij debuteerde in 1988 als dichteres met de bundel Stem onder mijn bed, waarin een soort archeologie van het eigen persoonlijk leven wordt bedreven en herinneringen aan overledenen in rationele gedichten worden opgeroepen. In 1999 werd haar bundel Hier is de tijd bekroond met de prestigieuze VSB-Poëzie prijs. Uit deze bundel kies ik een paar gedichten: 'Dit hier':

 

    Je loopt op het strand: de zee, de einder,

    het geluid dat de kom van de wereld

    tot de rand toe vult – nee, kleiner

 

    Je zet je schoen in het zand: koeiehuid,

    geërodeerde bergen, het een laat

    een afdruk na in het ander – nee, anders.

 

    je bent ergens, het doet er niet toe

    waar, altijd aan een rand, dit keer tussen

    land en water, het gaat over nu – nee

 

    je ligt op je buik. Zand zingt zich voort

    zoals water, geribd. Je kiest de kleinste rib.

    Berg. Je kiest de kleinste korrel. Aarde.'

 

Als ik dit lees, dan moet ik altijd denken aan dit citaat in haar essay 'Mag ik Orpheus zijn?': 'Gedichten zijn lucht, ze zijn adem, één bladzijde lang en dan: foetsie! Ik ben archeoloog, mijn beroep is oude rommel. Ik weet dat alles rotzooi wordt en dat zelfs die rotzooi verdwijnt.'

En: 'Draad (1)':

 

    Ze heeft een mensje gemaakt

    van draad en dat ben ik, tegelijk

    ik en dunner en kleiner,

    zoiets als mijn pink. Ik sta

 

    op het balkon, laat mij

    de wereld zien en zeg

    ik en oefen zij en: zij

    heeft voor mij een poppetje,

    zij is niet mij.

 

    Het past zo graag:

    ik in mijn hand, mijn hand

    in mij, ik in het nu,

    nu in vandaag.

 

Als je deze regels leest, dan is de vraag: 'wat het betekent om "ik" in een gedicht te zeggen, mag een tekst worden herleid tot de persoon van de maker, in hoeverre wordt wat wij "het leven" noemen bepaald door wat we hebben gelezen, zijn er grenzen aan de verbeelding en waar zouden die dan moeten liggen, wie bepaalt wat wel en niet mag of kan in een tekst?'

Want de interpretatie van haar gedichten worden vaak geijkt aan enkele feiten die men over de dichteres weet: haar beroep als archeoloog en het verlies van twee van haar kinderen. Interviewers komen daar altijd op terug. Haar weigering om geïnterviewd te worden over de dood van haar kinderen is begrijpelijk want zij vindt dat: 'Het "lyrisch ik" spreekt met de stem van Orpheus.' De tekst laat in het midden of het de stem is van een man, een vrouw of een kind. Zij eist de vrijheid op om gedichten te schrijven die los staan van haar tijd; en dat maakt haar poëzie interessant omdat er andere lagen zijn dan alleen het autobiografische.

Ik vind haar gedicht 'Asiel' heel mooi, en op alle tijden van toepassing:

 

    Ingeslapen, in een landschap gestaan

    met jou, een nacht en een zee

    om ons heen, gepraat met douaniers,

    papieren getoond – of wij daar

 

    kort desnoods mochten zijn?

    Geroken aan een jas als een waakhond

    en verdwaald gezwommen

    in een mond vol nee, traag, bijna

 

    slaperig; wie daarin zinkt, vervalt.

    Gevlucht het land af, bang

    geweest: ik in ik, jij in jij naast mij

 

    in het water. Zee opgedronken

    en veelvoud vergeten. Geen kust hier.

    Nu langzaam. Geen later.

 

Geen wonder dat zij met deze uitzonderlijke bundel de VSB prijs kreeg.

De andere bundel die wij voor 6,50 euro aanbieden is een tweede druk uit 2001 met de naam Dakruiters. Twee recensies las ik hierover: één uit Meander van Bert van Weenen, zeer negatief. Deze man is een Nederlandse auteur en poëziecriticus. Hij begint al meteen: 'Niet iedereen kan met filosofische poëzie goed uit de voeten.' En dan krijg je een heel gezeur over wat in die bundel niet deugt. Ik ben het daar absoluut niet mee eens. Over de indeling van deze bundel in drie hoofdstukken: 'Hebben', 'Voetlange vloertjes' en 'Duizend' kun je bezwaar hebben, maar ik vind dat de tweede recensie van Elke Brems, gepubliceerd in Ons Erfdeel, Jaargang 44, 2001, recht doet aan Jansma's poëzie. In een opzicht heeft Brems gelijk als zij schrijft: 'Dakruiters is niet erg coherent, doordat twee van de drie afdelingen ook al afzonderlijk gepubliceerd werden, maar dat neemt niet weg dat er veel moois in staat.'

De eerste reeks uit deze bundel getiteld 'Hebben' verscheen in 1999 als een bibliofiele uitgave. Dit zijn allemaal gedichten over rozen, een lyrisch symbool bij uitstek. Maar Jansma stelt dat laatste zelf ter discussie in het gedicht 'Aardappelen zijn belangrijker dan rozen' waarvan de eerste strofe luidt:

 

    behalve in gedichten, daar zijn rozen belangrijker

    terwijl het een misverstand is te denken dat knollen

 

    die knobbelige buidels en buikjes vol zetmeel

    lyrisch minder geschikt zouden zijn.

 

De tweede reeks 'Voetlange vloertjes' gaat over de liefde in bijvoorbeeld 'Brief' waarvan ik de twee laatste strofen citeer:

 

    stilte, achter mijn raam

    in de lucht een vliegtuigje, hier

    in de kamer steeds meer

 

    schaduw – ik wil deze dag terug,

    mijzelf bewaren: meisje met brief.

    Daarom open ik je brief niet.

 

'In de vier gedichten "Sjaantje en de ruimte" gaat het over de menselijke ervaring van ruimte en hoe de liefde de ruimte afbakent. Sjaantje heeft een huis, maar zij is in haar eentje niet in staat dat huis bewoonbaar te maken', schrijft Elke Brems en zij citeert de regels: 'De wind giert erdoorheen / maar het is de wind niet, het is willen / dat je daar bent.' In het derde gedicht vind ik wat Brems zegt over de regel: "Zo kunnen ze als de noodvoorraad van kleine/ dieren helemaal door elkaar heen tegen elkaar aan liggen slapen” een mooi voorbeeld van overeenkomst tussen vorm en inhoud: de woordverhaspeling waar je als lezer bijna over struikelt, beeldt de verstrengeling van de geliefden uit.'

In de laatste reeks getiteld 'Duizend' schetst Jansma over duizend jaar naar aanleiding van het nieuwe millennium in een aantal historische anekdotes de wreedheid en grilligheid van het menselijk bestaan. Ik vind deze reeks zeer de moeite van het lezen waard. Maar leest u deze bundel zelf maar. Op onze site kunt u zien wat wij van deze dichteres nog meer hebben.

Ilse Starkenburg, 26 april 1963 geboren te Dieren. Ze woonde in Holwerd waar zij leerde schrijven in het Fries; daarna in Zevenaar, Groningen en Amsterdam. In Groningen begon zij eerst, in 1981, aan een studie Nederlands, maar verruilde die voor filosofie. Daarna heeft zij besloten zich te specialiseren in de analytische taalfilosofie. Else Barth, een Noorse professor, heeft haar geïnspireerd. Toch koos zij voor de poëzie, en niet voor de wetenschap. Tijdens haar studie stuurde zij enkele gedichten naar het literaire tijdschrift Maatstaf, die meteen werden geplaatst door Theo Sontrop, dichter en ook directeur van De Arbeiderspers.

In 1990 verscheen haar eerste dichtbundel Verdwaald ontwaken, daarna verscheen in 1995 Afspraak met een eiland. Toen is zij verhalen gaan schrijven, De blinde vlek op de kaart, maar keerde weer terug tot de poëzie met In plaats van alleen (2003) en Gekraakt klooster (2007). De laatste hebben we bij Perdu zowel antiquarisch als nieuw. Wat leuk is om te weten, is dat zij in Utrecht enige tijd in een kraakpand heeft gewoond. Ook in Amsterdam woonde ze in een kraakpand, schuin tegenover het Concertgebouw. Hierna is ze verhuisd naar de Zeeheldenbuurt, waar ze nu nog steeds woont. Haar werk is in talloze bloemlezingen geplaatst en in veel tijdschriften als Tirade, Hollands Maandblad, Krakatau, Ballustrada, Bunker Hill, Signum Blätter für Literatur und Kritik, De Poëziekrant en Revolver. Daarnaast is Starkenburg lid van de PEN-Amnesty groep, die zich actief inzet voor bedreigde, vervolgde schrijvers over de hele wereld; en ze is een van de dichters van dienst in het project 'De Eenzame Uitvaart' in Amsterdam.

De bundel die het meest mijn aandacht trok, is in plaats van alleen, in 2003 door De Arbeiderspers uitgegeven. Ook vond ik de tekeningen van Timon Hagen erin erg aardig. Je leest hierin een verlangen naar contact met de dingen, bijvoorbeeld in het gedicht 'ledikant':

 

    in mijn bed

    uit de rommelwinkel

    fluisteren binnenboord gebleven stemmen

    over wat niet werd prijsgegeven

 

    wat mijn oma bijna toonde

    toen zij zo langzaam

    met een stoffige zonnestraal

    meeliep

    naar de kast

    in de hoek

    van de achterkamer

    ik dacht: nu komt het uit

    er kwam alleen een eierdopje

    te voorschijn

 

    nu kruip ik in

    mijn oude, nieuwe bed

    kussens ruisen zacht

    warme adem in mijn oren:

    ik ben dichtbij.

 

Het lijkt heel simpel, maar is het dat wel? Of is het een gesloten wereld met geheimtaal? La question se pose. Is het een zoektocht naar zichzelf, zoals in het eerste gedicht uit deze bundel 'de stille plaats' waar wij lezen:

 

    hier zit ik dan

    dacht ze

    ik heb nog niets gezegd

 

    op mij komt het aan

 

    als een van hen

    mijn kant op keek

    zou ik wel zeggen

    wat ik ervan vind.

 

En in 'detective':

 

    de eerste keer

    ben je altijd een beetje blind

    je vergeet nog niet

 

    naast wie je wilt zitten

    waar je wilt wonen

    wat je kunt lezen

 

    ( …)

 

    het is het eerste boek

    dat je leest

    en je bent niet alleen maar lezer

 

    je neemt het verhaal mee

    zin voor zin

    tot in je dromen

    blijf je medeplichtig.

 

Annette van den Bosch bespreekt in Meander van 29 februari 2004 deze bundel en zegt: 'Haar wereld lijkt dromerig, een sprookjesland, waaruit ze met verwondering naar de haar omgevende buitenwereld kijkt.' Zij vindt dat elk gedicht tot reflectie kan leiden en tot een bespiegeling van de mens in zijn eenvoudigste vorm. Daar ben ik het helemaal mee eens.

Hagar Peeters (1972) is de jongste van de drie. Zij woont in Amsterdam en is de dochter van de socioloog en journalist Herman Vuijsje. 'Gedichten worden mij als het ware ingefluisterd. Iets neemt het van me over. Alsof iets in mij al weet wat er in mijn gedachten ligt.' Dit lezen wij in het interview in Trouw van 16 april 2011. Haar eerste dichtbundel Genoeg gedicht over de liefde vandaag (1999) werd meteen genomineerd voor de NPS Cultuurprijs. In 2003 verscheen haar bundel Koffers zeelucht bij De Bezige Bij. Deze tweede bundel waarover ik het zal hebben werd bekroond met de Jo Peeters Poëzieprijs en de J.C. Bloemprijs. Hij werd meerdere keren herdrukt, met onder andere een CD waarop ze haar gedichten voorleest. In het tijdschrift Ons Erfdeel, jrg. 48, 2005 schrijft Hans Groenewegen: 'De tweede bundel van Hagar Peeters, sluit in vele opzichten bij haar eersteling aan. Zo krijgt een van de mooiste gedichten uit het debuut opnieuw gestalte in het titelgedicht van de nieuwe bundel. Het eerste gedicht evoceert als een jeugdherinnering "De zee, de zee, de zeeeeee" als de onbereikbare wijdte waarnaar het verlangen van het kleine meisje uitgaat. Noch haar vader, noch haar moeder neemt haar ooit mee naar zee. Iedereen trekt naar de vrijheid, impliceert het gedicht, maar: "In de zomer bleef ik achter / in de stad."

Over het gedicht 'De grote trek': ‘Ik zag de overburen op een ochtend / hun koffers zeelucht pakken.’ schrijft Groenewegen: 'Het beeld balt veel samen. De gebruikte koffers worden elk jaar tevoorschijn gehaald. Ze waren nooit echt leeg. Ze bevatten de zeelucht van een vorig jaar. Ze bevatten het geheim van wijdte en vrijheid. Nu worden ze volgestopt met kleren en parafernalia om hun in herinneringen vervatte belofte van nieuw geluk in te lossen. En het meisje aan de overkant drukt haar neusje tegen het vensterglas en voelt zich gevangen.

 

    Halverwege sloeg de zon

    zijn schaduw in het aquarium van onze etage

    waar ik tegen het glas gedrukt steeds bleker

    hun verdwijning na bleef staren

    tot ze de hoek om waren van mijn geheugen.

 

'Om de afstand tot de voor haar onbereikbare zee te benadrukken valt het woord "aquarium". De slotstrofe beschrijft hoe de moeder van de verteller haar vergeefs troost:

 

    Op de kust, zei mijn moeder later, zijn ook zij uiteengeslagen.

    Wel bleven ze er wonen, nog een tijdje,

    in lichte bunkers met open ramen.

 

Ja, de buren die altijd naar zee gingen zijn ook gescheiden, maar Peeters laat in deze strofe ook uitkomen dat deze buren toch zijn gebleven. Koffers zeelucht bestaat uit vijf hoofdstukken. De middelste, 'Als ooit', bevat met meer dan twintig gedichten, bijna evenveel gedichten als de vier andere. De meeste daarvan zijn liefdesgedichten. Groenewegen schrijft: 'De vrije beschrijving van de lichamelijkheid van de liefde is denkelijk het meest onderscheidende kenmerk van de poëzie van Hagar Peeters. Oog, huid, mond, tong, vingers, holten - binnenkant en buitenkant van het lichaam herinneren zich in treurnis het lichaam van de geliefde of verlangen ernaar. Het is vreemd om te zeggen, maar haar poëzie doet je je realiseren dat dit een van de weinige keren is dat de liefde exclusief vanuit het perspectief van een vrouw is beschreven, zonder dat de lichamelijke ervaringen zijn gedeseksualiseerd tot abstracties als "raak me aan". Dat is wellicht wat zoveel lezers heeft aangetrokken.

Perdu heeft een tiental bundels van deze dichteres, waarvan drie antiquarisch; en die zijn niet zo duur.

 

01-11-2014

Judith Herzberg, Elly de Waard en M. Vasalis zijn de drie dichteressen over wie ik het zal hebben. Ik begin met Vasalis, omdat ik haar poëzie het aantrekkelijkst vind. Zij is de oudste van de drie, want geboren in 1909. Haar eigen naam is Margaretha Droogleever Fortuyn-Leenmans. 'Vasalis' is een latinisering van haar achternaam 'Leenmans'. Dit kunnen wij overal over haar lezen. Wat misschien niet iedereen weet is dat zij als psychiater de dichters Jan Arends, Gerard Reve en Rob Schouten heeft behandeld. Zij was net als Kopland psychiater in het noorden des lands en net als hij stelde zij belang in het verwoorden van subtiele gevoelens van vergankelijkheid. Vasalis is één van de meest gelezen dichters uit de Nederlandse literatuur. Haar oeuvre is klein. Tijdens haar leven publiceerde zij maar drie dichtbundels: Parken en woestijnen (1939), De vogel Phoenix (1947) en Vergezichten en gezichten (1954). Na haar dood verschijnt postuum de bundel De oude kustlijn in 2002. In 2006 wordt al haar werk opnieuw gebundeld in Verzamelde gedichten, die regelmatig wordt herdrukt. Perdu heeft al haar bundels. U kunt dat op onze site zien. Deze bundels zijn niet duur: 4-5 euro of 12,50 euro; 27,50 euro voor Verzamelde gedichten en 35 euro voor haar biografie geschreven door Maaike Meyer.

 

Eigen aan de poëzie van Vasalis zijn de openheid en de herkenbaarheid, die tegelijkertijd altijd meer lijken uit te drukken dan enkele particuliere gevallen. Het klassieke karakter dat haar poëzie daardoor krijgt, heeft grote waardering geoogst. Tijdens het optreden van de Vijftigers raakt Vasalis ietwat in de verdrukking, maar in de jaren zeventig wordt haar grootheid weer erkend, wat ondermeer blijkt uit de toekenning van de Constantijn-Huygens prijs in 1974 en de P.C. Hooft-prijs in 1982. Mijn eigen bundels zijn allemaal herdrukken uit begin jaren zestig. Iedereen die van poëzie houdt, heeft ongetwijfeld haar bundels in zijn of haar kast staan. Minder bekend is wellicht het artikel dat Elly de Waard over haar schreef in de Volkskrant van 12 januari 1980. Daar lezen wij: 'Zij was in veel opzichten de tegenpool van de veel stijvere Ida Gerhardt, die ongeveer tegelijkertijd met haar debuteerde. Een meisjesachtige opstandigheid ontwikkelt zich al vrij snel tot een temperament dat de gedichten kracht geeft en vaart.' Ja, Ida Gerhardt, hoe goed ik haar ook vind, zal niet met graagte door mij worden herlezen, terwijl ik uit elke bundel van Vasalis enkele regels ken en niet vergeet. Ik citeer graag uit Parken en woestijnen het gedicht 'Angst': 'Ik ben bijna voor alles bang geweest: / voor 't donker, voor figuren op het kleed, / voor stilte, voor de schorre kreet / van de avondlijke venster, voor een feest, / voor kijken in de tram en voor mezelf.'

 

Uit 'Tijd': 'Ik droomde dat ik langzaam leefde … / langzamer dan de oudste steen.' Uit 'Begrafenis van Mevrouw T.' : 'Door de smalle, gewonden, stijgende laan / waadden we langzaam achter haar aan. / Van het zwijgen deden de kelen pijn, / van het trachten zo stil als zij te zijn.' En die gemakkelijke rijm interesseert mij niet; wel de 'directheid van gevoel en aandacht voor het gewonde', om Elly de Waard te citeren. Bij 'Afsluitdijk' denk ik vaak aan deze regels: 'Er is geen einde en geen begin / aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden, / alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.' En tenslotte bij 'Herfst': 'Ik heb mezelf nog van geen ding bevrijd / en er is haast geen tijd meer over.' Zo kan men uit iedere bundel regels halen, voor zichzelf; en ze eigenlijk nooit meer vergeten. Uit De vogel Phoenix heb ik altijd de laatste strofe van het gedicht 'Kind' onthouden: 'Hoe wijd was nog de doorgang tot het leven / en hoe toegankelijk voor zijn eb en vloed … / Hoe licht en stil en schoon is met de dood / hij op het lege strand alleen gebleven.'

 

Het gedicht 'Avontuur', als laatste: 'De aarde keert zich langzaam op haar andre wang, / het licht verbleekt zonder geliefde. / Ik zie het aan, vermoeid en bang: / dit avontuur duurt eeuwenlang / en zonder samenhang / met onze korte liefde.' Met deze regels wil ik afsluiten en een nieuw begin maken met Judith Herzberg, die onlangs tachtig jaar oud is geworden. Afgelopen weekend heeft De Theatergroep in Perdu uit haar stukken, Leedvermaak, Rijgdraad en Simon voorgelezen. Haar geboortejaar is dus bekend: 4 november 1934. Herzberg was als kind tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken. Haar ouders werden in het kamp Bergen-Belsen geïnterneerd, maar zijn hier levend uitgekomen. Herzberg schrijft gedichten, toneelstukken en scenario's voor televisie en film. Zij debuteerde in 1961 als dichteres in het weekblad Vrij Nederland. Twee jaar later verscheen haar eerste dichtbundel, Zeepost. Later volgden onder meer Beemdgras (1968), Vliegen (1970), Strijklicht (1971), Botshol (1980) en Dagrest (1984). Ook schreef ze de toneelstukken Leedvermaak en Rijgdraad, die beide verfilmd werden (het laatste onder de titel 'Qui vive') door Frans Weisz. Weisz verfilmde eerder, in 1981, haar scenario Charlotte. Herzberg heeft, in tegenstelling tot Vasalis, altijd geschreven en gepubliceerd, bij G.A. van Oorschot. Vanaf 1963, toen haar eerste bundel Zeepost verscheen tot 2013 met Liever brieven.

 

Herzberg is politiek geëngageerd: zo schreef zij een ingezonden gedicht voor de NRC over Taida Pasić, het meisje dat een aantal maanden vóór haar vwo-eindexamen door minister Verdonk teruggestuurd zou worden naar Servië. Herzberg was het hier in het geheel niet mee eens. Over Judith Herzberg is heel veel geschreven. In Haags Nieuwsblad van 25 januari 1986 staat in een interview van Herzberg met René T'Sas: 'Een gedicht moet iets grappigs hebben'. Herzberg begon met het publiceren van gedichten zoals iemand anders een kruiswoordpuzzel oplost, om er wat mee te verdienen: 25 gulden. Leuk om in dat interview te lezen: 'Je weet dat je niet meer dan een jaar of tachtig te leven hebt en op een gegeven moment moet je kiezen waarmee je je bezig wilt houden. Ik zou graag nog experimenteler, speelser willen leven dan ik nu doe, ik zou graag nog veel minder geëngageerd willen zijn dan ik nu ben.' Rijmen op bestelling vindt zij leuk. Ze zou best Sinterklaasgedichten voor de klanten van de Bijenkorf willen schrijven. 'Ik word dan genoodzaakt snel en kort iets te formuleren (...) je kruipt even in de huid van een ander en je formuleert namens die andere ik.' Ikzelf word vaak erg vrolijk van Herzberg. In de jaren zeventig en tachtig las ik regelmatig haar poëzie. Uit Zeepost herinner ik mij nog het korte gedicht 'Bergmeer': 'Daar liggen godvergeten zonbeschenen stenen / heet te worden, af te koelen. / Geen mens, geen dier om het te voelen. / Alleen wij, nu, even.' Et je pensais au temps perdu ... Met Beemdgras, j'ai pensé à ces cinq années terribles qui ont envenimé notre siècle perdu …

 

Deze regels uit Het besluit hangende hebben mij lang achtervolgd: 'Hangende het besluit / hangende het huis / hangende de meubels / hangende de kinderen – / hingende de druppel gaaf / jong en met een bestemming. / Toen de druppel viel / vielen de kinderen / vielen de meubels / viel het huis / viel het besluit / en op vijf dagen na / vijf jaar voorbij.' Et j'ai pensé au mariage perdu dans le poème Hij deed zijn best: Hij deed zijn best maar in acht jaar / niet veel geluk gehad met haar. / Thuis van zijn werk was zij óf weg óf boos / haar dood verbeterde hun huwelijk eindeloos.” Uit Strijklicht koos ik deze regels van 'Opgeschreven': 'Misschien / zijn mij meer jaren gegeven / dan dit halve, haar. / Waar praat ik over? Hoe / moet je praten met wie dood gaat gauw? / Kon ik maar even sneller leven / en dan terug, hierheen / om te vertellen hoe het gaat daar.' Ja, wat haar gedichten zo populair maken is niet zo een-twee-drie te zeggen. Haar kijk op het leven met observaties uit het dagelijkse en haar natuurlijke toon alsof ze met de lezer praat doet mij erg aan Wislawa Szymborska denken. En haar rijm, klank en ritme vind ik zeer aantrekkelijk.

 

Elly de Waard is in 1940 in Bergen (Noord-Holland) geboren en is de jongste van de drie. Zij is dichteres, vertaalster en popcriticus; vijftien jaar lang verschenen in Het Vrije Volk, de Volkskrant en Vrij Nederland recensies over popmuziek van haar hand. Zij studeerde Nederlands aan de UvA en woonde in de jaren zestig met de dichter Chr. J. van Geel samen. Na zijn dood in 1974, debuteerde zij als dichter in 1978 met de bundel Afstand. Haar belangrijkste voorbeelden zijn Emily Dickinson, Sylvia Plath, M. Vasalis en Ida Gerhardt. Elly de Waard is tevens jurylid geweest voor de Edison Music Award, P.C. Hooft-prijs, VSB Poëzieprijs, Herman Gorter-Prijs en de C. Buddingh'-prijs. Zij geeft sinds 1986 ook workshops poëzieschrijven en is aanvoerster van dichteressengroep 'De nieuwe Wilden'. Sinds 1991 is zij ook jurylid voor de Anna Bijns Prijs.

 

Leuk om te weten is dat zij al veertig jaar op een landgoed in de duinen woont, Vogelwater, dat een soort toevluchtsoord voor schrijvers en dichters is. Ook de Russisch-Amerikaanse dichter Joseph Brodsky (1940) heeft daar een tijdlang zitten schrijven en zei over dit huis: 'Je denkt beter onder een hoog plafond.' Wat ik van de poëzie van deze dichteres vind, weet ik eigenlijk niet. Twee bundels heb ik uit het Antiquariaat meegenomen: Het Zij, een eerste druk, november 1995 en Anderling, ook een eerste druk, april 1998. En ze kosten maar zes euro.

 

Dat het in haar poëzie om de Liefde en de Natuur gaat, weten wij; dat het lyrische ontboezemingen zijn, soms provocerend en naïef, dat weten we misschien niet. Uit de bundel Het Zij, dat ik als een heel lang gedicht beschouw, koos ik deze regels: 'Hier, waar wij liepen / nog zo kort geleden // naar die duinpan, daar omhoog / is het pad verdwenen // overgroeid is het / en enkel nog betreden // door dor, afgevallen / blad en stenen – leven // is telkens verliezen / telkens afscheid nemen // van het verdriet / om alles dat niet // was zoals je had gedacht, niet / wezen kon zoals je het // had gezien; van die eerste / kus en die eerste kiem // van misverstand is het / misverstand gebleven.'

 

En uit de bundel Anderling, dit gedicht: 'En in een tijd, waarin een dichter / geworden is tot curiosum, tot / marginaliteit, een tijd ook / waarin talen (als de zijne) / zich vermengen of verdwijnen // toch dichter te willen zijn / van zo'n historisch rijk, maar klein / en koppig taalgebied, dat van / een eigenzinnigheid van zegen is / en in benoemen authentiek.' 'De expressie van het innerlijk kan ontegenzeggelijk grote poëzie opleveren, maar het gaat natuurlijk om dat "dwingende". Dat bijvoorbeeld aan de vorm ontleend zou kunnen worden. Vorm is echter niet iets waar in deze gedichten veel aandacht aan lijkt te worden besteed.' Dit lezen wij in een recensie over haar in NRC Handelsblad van 25 januari 2002.

 

Drie dichteressen, van oud naar jong is het geworden!

 

Wist u dat over vrouwenpoëzie in Nederland deze bundels zijn verschenen:

Vrouwen dichten anders, samengesteld en ingeleid door Cox Habbema, Bert Bakker, 2000.

Vrouwenpoëzie van Conny Sluysmans en dertig andere vrouwen, Hollandia, 1981.

Liefde kon maar beter naamloos zijn: Hondervijftig dichteressen voor Amnesty Internationaal, De Geus bv, Breda, 2000.

In England: The Faber Book of 20th Century Women's Poetry, Fleur Adcock, 1987.

In Frankrijk: La poésie féminine de Marie de France à Marie Noël, Seghers, Paris, 1963. En Poësies en France depuis 1960 - 29 femmes - Une Anthologie, Liliane Giraudon en Henri Deluy, Stock, Paris, 1994.

 

27-10-2014

Het weerlicht op de kimmen van Gerrit Achterberg (1905-1962)

Het is een keuze uit de Gedichten, samengesteld door J.C. Achterberg-Van Baak, uitgegeven in 1991 door Querido als vijfde druk. Een bundel met een mooi omslagontwerp van BRS Premsela Vonk. U weet waarschijnlijk niet dat Jan Vonk en Benno Premsela grafisch ontwerpers zijn en dat hun bedrijf ook het belastingbiljet heeft ontworpen.

Het weerlicht op de kimmen is een bloemlezing die de vrouw van Achterberg, Cathrien van Baak, op 20 mei 1965 heeft samengesteld toen haar inmiddels overleden echtgenoot 65 zou zijn geworden. Paul Rodenko, van wie wij weten dat hij in 1955 ook een bloemlezing uit het gehele oeuvre van Achterberg heeft samengesteld en ingeleid, zegt over de bloemlezing dat Achterbergs vrouw noch een dichter, noch een letterkundige is: 'zij is geen van beide, maar háár bloemlezing ontleent zijn belang vooral aan het feit, dat zij vele jaren lang het ontstaan ván het leven, werken en worstelen mét deze gedichten van zeer nabij heeft meegemaakt; ( … ) zij weet hoe de dichter soms wekenlang met een bepaalde regel kon rondlopen ( … ); zij kent zijn voorkeuren, de concrete dingen die een vers tot leven brachten.'

Deze bundel is daarom ook 'een nieuwe confrontatie met de dichter'. Wij weten allemaal dat hij 'De grootste Nederlandse dichter van deze eeuw' wordt genoemd, dat zijn werk in vele talen is vertaald en dat hij een begrip is geworden in onze literatuur; dat zijn werk door iedere poëzieliefhebber herkend en gewaardeerd wordt. Wij weten ook dat vanaf 1931 tot 1961 zo'n dertig werken van hem zijn gepubliceerd. Tussen Afvaart (1931) en Eiland der ziel (1939) valt de tragische wending in zijn leven – waarover ik het niet zal hebben – waardoor de dood van de geliefde het overheersende thema wordt in Afvaart; en zijn dichten de functie krijgt om haar tot leven te roepen. Het gedicht 'Wederkeer' roept heel metrisch en beeldend dit thema op:

 

'Hoe keer ik zo in uw geheimnis weer?

Langs welke wentelingen ben ik u ontstegen?

En nu loodrecht gedaald, gelijk de regen,

die keert naar de aarde weer,

keer ik ter plaatste waar uw lichaam heeft gelegen

en leg ik me in de rondingen neer

die in het donzen gras zijn nagebleven;

beluister ik dezelfde bladerensfeer,

die na ons heengaan ruisend is gebleven;

gij zijt er weer, al zijt ge er niet meer.'

 

In 'De bruid zingt', krijgt deze oproep in de eerste en laatste strofen, met een prachtige cadans, een bijna humoristische toon:

 

'Ik heb mijn lichaam prijs gegeven,

en prijsgegeven zal ik zingen

de nooitgekende sidderingen,

waarmee de ziel het bloed

binnenvoer en voorgoed

mijn lichaam dansen doet,

mijn lippen kussen doet,

mijn handen strelen.

 

( …)

 

Ik weet dat hier de dood mee is gemoeid.

Maar des te meer ontbloei ik van de vele

uitstortingen van vrede en van leven:

dit is het grote voorspel, het is goed

voor u te zijn geboren, mijn beminde,

die ik zich in mijn lichaam voel bevinden.'

 

Waar kun je voor 3 euro Het weerlicht op de kimmen van Achterberg krijgen? Bij Perdu.

Pegasus op Wereldreis: Poëzie uit alle windstreken in Nederlandse vertaling, in 1954 bijeengebracht en ingeleid door Dick Voerman en W.A. Braasem en uitgegeven door C.P.J. van der Peet, Amsterdam

Deze prachtige bundel die je nergens voor onder de 8 euro kunt krijgen ligt of staat, zonder kartonnen band, in de 3 euro uitverkoopbak. Uniek aan deze bloemlezing is de versiering met vignetten van de kunstenaar Leo Gestel en het gegeven dat inderdaad de hele wereld erin staat: achterin staat precies uit welk land, van welke uitgever, welke vertaler en de datum van verschijning. Het begint met Rubén Darío (1867-1916) uit Nicaragua en het eindigt met de Kirgiezen uit Siberië. De eerste staat bekend als dichter, journalist en diplomaat; het laatste gedicht is een Kirgisisch volkslied vertaald door niemand minder dan Paul Rodenko. Het begint met De zanger, in 1939 verschenen in de Romantische rhapsodie van Hendrik de Vries bij uitgeverij De Spieghel in Amsterdam. De eerste twee strofen van het allereerste gedicht zijn een goeie inleiding:

 

'De zanger zwerft bij nacht en dag

met een mijmering, of met een milde lach;

 

De zanger zwerft over zee en land

Bij witte vrede en rode oorlogsbrand.'

 

En de laatste strofe geeft mooi de toon aan:

 

'Het lied zweeft, op vleugels gedragen:

Harmonie en Eeuwigheid.'

 

Ja, de samenstellers brachten poëzie in de ware zin des woords bijeen. 'Het wekt misschien verwondering een Regenlied van de Navaho-Indianen in één bundel te zien ondergebracht met een vers van Baudelaire, de dikwijls wrang-lyrische uitingen van Spaanse negerdichters, met de gedichten van Hölderlin, maar al gauw blijkt dan dat tijden en werelddelen, volkstammen en individuen een zelfde trefvlak hebben in die unieke taaluiting van de mens: de poëzie.' Dit staat zó op de binnenflap, voorzijde, en 't vat ook goed samen wat u leest in de inleiding.

En natuurlijk zijn er ook twee gedichten van Mao Tse-Toeng: 'De Grote Tocht' waarin te lezen is: 'Ik staar naar het Zuiden waar de ganzen verdwijnen. / Ik tel op mijn vingers – een afstand van 20.000 li, / En zeg: we zijn geen helden als we de Grote Muur niet halen.' En De Sneeuw met deze frappante regels: 'De bergen zijn dansende zilveren slangen, / De heuvels op de vlakten zijn lichtende oliefanten. / Ik verlang mijn hoogte met die van de hemelen te vergelijken.'

Als u dit poëzieboek niet heeft, zult u nooit spijt krijgen van de koop. U moet weten dat de vertalers tegelijkertijd ook onze grote dichters en schrijvers zijn: bij voorbeeld Victor E. van Vriesland, D.A.M. Binnendijk, P.N. van Eyck, J. Slauerhoff, Jan G. Elburg, S. Vestdijk die Emily Dickinson vertaalt of Hella S. Haasse die Navaho, een Indiaanse dichter uit Noord-Amerika heeft gekozen. Teveel om op te noemen!

Vrije Dichters verzameld door Joh. C. P. Alberts, uitgegeven door A.J.G. Strengholt's in Amsterdam

Dezen zijn nu eens niet bekend. De inleiding van H.P. van den Aardweg (1899-1971), een Nederlands letterkundige, schrijver en vertaler, maakt dit meteen duidelijk: 'De dichtkunst is in Nederland langzamerhand een zaak van geleide appreciatie geworden. Wie niet behoort tot een groepering, waarvan tenminste één hoofdman is, kunstoverheidsfunctionaris of een zeer goede vriend van een dergelijke functionaris is, zal zelden erkend worden, laat staan in aanmerking komen voor een prijs of een reisbeurs. Zijn of haar lot is meestal: doodgezwegen te worden!'

Op de flap van dit boekje valt te lezen dat het om 'ongeschoolde zangers van her en der, zoals er God zij dank nog altijd in ons over-georganiseerde landje te vinden zijn. Teneinde ( … ) eens wat nieuwe gezichten te laten meedraaien in de staatsmolen (al is het maar voor één rondje) en aldus, wie weet, iets bij te dragen tot een gezegende ontwrichting van die hoog-literaire Organisatie, die het uiterlijk begint aan te nemen van (sorry) een Gepleisterd Graf.' En dan lezen we meteen de eerste strofe van het sonnet van Wim Helsloot, getiteld 'Nautologie': 'Wat op de werf van mijn bestaan weerklinkt: / Van enig bijdraaien is geen sprake meer. / De hand waarmee 'k de leegte tatoueer / rust op een roerpen, roestig van de inkt.'

Dan zijn we meteen beland in het thema dat deze bundel karakteriseert. Ik citeer wat regels uit 'Aan een 17e eeuwer' van Joris van Klaveren: 'Wij zijn de eenzame stilte betreden / op de met inktwaas gevulde bladen / de aardklanken vielen ons weg / met het zorgend bestaan / want wij zagen de eeuwen in nachtdroom opgaan.'

En uit de eerste twee strofen van gedicht III van Nico Scheepmaker: 'Woorden als plechtankers zijn / de hoop voor verouderde mensen / die liever de golfslag van thuis / dan buitengaats storm riskeren / Maar welke dichter ontloopt / hat save our souls in zijn verzen / waneer hij de drenkeling kent / en weet van de weerwraak der zee?' Een aardig, onbekend bundeltje waarvan de thema's: ons bestaan en de verdwijning ervan.

Morgengedichten van Salvador Hertog, bij Corrie Zelen uitgegeven in 1977. Met een mooie omslag van Jos Kipping.

Salvador Hertog, Nederlands prozaschrijver en vertaler (1901–1989). Hertog stamt uit een orthodox joodse familie. Hij studeerde rechten en wijsbegeerte in Amsterdam, maar onderbrak zijn studie om te gaan reizen. Hij werkte vervolgens als vertaler van Frans, Fins en Engels letterkundig werk en publiceerde in een reeks van tijdschriften. In 1936 debuteerde Hertog als prozaïst met de schippersroman De wilde schuit. Na WOII publiceerde hij het spionageverhaal Testament in code (1950). Daarna schreef hij novellen in De rode deken (1965) en een kleine roman, De kleinkornelkes (1968), waarin hij zijn jeugdervaringen met ironische distantie en fantasie beschrijft. Een groot deel van zijn eerder verschenen proza verzamelde hij in Onwaarschijnlijk bestaan (1975). In 1980 verschenen nog verhalen in Meijer en ik, waarin hij, zoals in meer van zijn verhalen, Meijer opvoert als zijn alter ego. Intussen had hij ook poëzie geschreven die gebundeld werd in: Morgengedichten (1977).

Deze bundel ziet er goed uit en is zeer laag geprijsd. Op de achterflap lezen we wat Heere Heeresma over hem opmerkt: 'Salvador Hertog zelf immers is een vreemde vogel in de literaire volière. Een engagement met een heersende opvatting is hem vreemd. Hij is qua natuur volstrekt origineel en een uniek eksemplaar in schrijversland.'

Ik vind zijn gedichten aantrekkelijk, humoristisch en aanstekelijk; en zal u er een paar voorbeelden van geven. Uit 'mijn oom Rudolf': 'verwonder me nog steeds / om vijf uur in de morgen / dat ik nog leef / al tel ik mijn dagen af / tot ik verga / en sterf als een hond / op een hoek van een straat / zoals mijn oom Rudolf / rechtop in New York.'

Uit 'einde': 'wat doe ik hier / als ik de wereld niet meer / veroveren kan / ik word een vreemde / voor mezelf / als ik niet de dag versier / de nacht verheerlijk / als ik geen kleuren meer vind / om de liefde te beminnen. / wat doe ik hier / als ik niet meer vechten kan / tegen de bierkaai …. / ik ben een droge bedding / van een vroeger stromende rivier.'

Het zijn allemaal korte gedichten die je vrolijk maken. En leuk om te weten van deze man die in Zorgvlied begraven ligt: hij wilde geen graf met een zerk omdat hij het lichaam zag als iets tijdelijks dat gewoon weer in de elementen verdwijnt.

In die bakken die voor het betreden van de winkel voor u klaar staan: nog zoveel meer mooie bundeltjes voor maar drie muntjes. Bekijk ze en neem ze mee.

 

7-10-2014

Gerrit Kouwenaar (1923-2014) ging en kwam. Zijn gezicht verdwijnt uit het straatbeeld, maar zijn gedichten verblijven in de geest. Om Kouwenaars poëzie te eren, organiseert de redactie op 7 november aanstaande een programma over zijn werk: op die avond zullen meerdere dichters de bundel Vallende stilte integraal voordragen.

Guus Middag heeft in de NRC van 5 september jongstleden geschreven wat het antwoord van de dichter was op de gestelde vraag 'wat het belangrijkste was waar hij als dichter in de loop der jaren achter was gekomen':

    “Dat je met zo iets vluchtigs als woordjes, met taal, in staat bent om even de tijd stil te zetten, iets dat menselijkerwijs onmogelijk is. Iedereen gaat dood, ook de beste dichter. >Je schreef gisteren wat, je schrijft vandaag wat, je schrijft morgen wat en overmorgen verschijnt daar het oeuvre van een man die door de tijd is ingehaald. Maar als het goed >is, beklijft er iets, heeft die dooie man een paar woorden achter elkaar gezet die duurzamer zijn dan alle stof.”

Op de site van Boekhandel Perdu kunt u precies zien wat er van G. K. te krijgen is, waaronder opnieuw in een wit jasje uitgegeven, Totaal witte kamer. Van deze - misschien wel de mooiste - bundel uit 2002 zijn maar liefst zeven drukken verschenen. Kent u het titelgedicht? Ik citeer:

 

“Laten wij nog eenmaal de kamer wit maken

nog eenmaal de totaal witte kamer, jij, ik

 

dit zal geen tijd sparen, maar nog eenmaal

de kamer wit maken, nu, nooit meer later

 

en dat wij dan bijna het volmaakte napraten

alsof het gedrukt staat, witter dan leesbaar

 

dus nog eenmaal die kamer, de voor altijd totale

zoals wij er lagen, liggen, liggen blijven

witter dan, samen –"

 

Van 1945 tot 1950 werkte G. K. op de kunstredactie van de communistische krant De Waarheid. Hij leerde omstreeks 1946 Lucebert kennen; met hem en Jan G. Elburg vormde hij de dichterskern van de 'Experimentele Groep Nederland', die later in de internationale Cobra-groep opging. In die roerende jaren veertig werkte hij ook voor de illegale kranten: 'Parade der Profeten' en 'Verzet en opbouw'. Hij werd gearresteeerd en belandde een half jaar in de gevangenis; zó ook zijn broer David die zelfs in het laatste oorlogsjaar in een kamp in Duitsland terechtkwam. David werkte als schilder in Bergen (NH) en overleed als negentigjarige in 2011. Sterk geslacht, die twee!

Interessant vind ik wat David over het schilderen zegt: 'Er is veel "groots en meeslepends" te bedenken, maar om het te schilderen moet ik er zeer dichtbij staan, echt van houden. Mijn uitzicht, de tuin, mijn vrouw, dochters, kleinzoon, kat of mijn eigen spiegelbeeld.' Zijn broer Gerrit volgde ook zijn eigen weg, had 'n karakteristieke taal en droge toon, hield van alledaagse thema's; en wij kennen zijn typo- grafie zonder interpunctie en hoofdletters, behalve dan de eerste regel; en die bekende gedachtestreep aan het eind van de laatste regel. Beiden kiezen voor variaties op vertrouwelijke onderwerpen. Zijn gedicht, dus vredig de avond uit de boven geciteerde bundel voelt als een mengsel van oude waarheden en eigenwillige motieven:

 

“Terwijl het laatste gedicht het tijdstip verteert

staat de maker geledigd op van zijn tafel

hij reinigt zijn vleesmes en kijkt uit het raam

 

op de sierbestrating zieltogen de bladeren

verlost van hun zomer, de windengel hurkt

in het eeuwige onkruid en wacht tot er tijd is

 

dus vredig de avond vol afscheid en oorlog

wereld waarheid en liefde behelzen onkwetsbaar

hun ijzeren letters

 

nu nog iets eetbaars, bloedbeuling witbrood

dan eindelijk slapen, zwart is de mode – “

 

Wij weten allemaal dat de dichter deel uitmaakte van de literaire beweging 'de Vijftigers', de nieuwe groep jonge dichters die zich verzette tegen de kunstopvattingen van hun voorgangers: 'Er is een lyriek die wij afschaffen', zoals we dat al weten van Lucebert en Hugo Claus. Deze mensen waren, zoals gezegd, nauw gelieerd met de Cobra-groep die zegt dat echte 'vitale' kunst alleen gemaakt kan worden door 'werkelijk vrije mensen'. Die beweging reikte naar de 'totale mens', naar uitdrukking van gevoel, verstand, bewuste en onbewuste. Hebben wij te maken met een surrealist? Niet echt, want deze dichters duiken de droomwereld in, naar het onderbewustzijn en volgen 'de écriture automatique'.

In de jaren vijftig was Gerrit Kouwenaar freelance-medewerker van Vrij Nederland en redacteur van Podium. Later besprak hij beeldende kunst voor 't dagblad Het Vrije Volk en was hij redacteur van De Gids. Kouwenaar was behalve dichter ook vertaler van de toneelwerken van Brecht, Goethe, Schiller, Hochhuth, Tennessee, Pinter, Sartre en Dürrenmatt. In 1967 ontving hij de Martinus Nijhoffprijs, in 1970 de P.C. Hooftprijs en in 1989 de Prijs der Nederlanse Letteren. Vele prijzen voor 'een van de grootste dichters van ons taalgebied', zegt de site van Querido. Ja, deze uitgever heeft van dit gigantische oeuvre – een veertigtal bundels – meer dan de helft uitgegeven.

In de winkel ligt nu op tafel de paperback Helder maar grijzer voor 16,95 euro. Zijn beste bundel Totaal witte kamer is ook weer voor 17,95 euro beschikbaar. Deze was vorige week snel uitverkocht, maar weer snel herbesteld. Momenteel niet beschikbaar, zijn de drie bundels: Gedichten 1948 – 1978, De tijd staat open en Vallende stilte. Maar deze drie bundels, respectievelijk uit 1982, 1996 en 2008 zullen waarschijnlijk weer snel een herdruk beleven.

Zelf kocht ik eind jaren tachtig de verzamelbundel Gedichten 1948-1978; in de jaren negentig, de kleurrijke Een eter in het najaar, een keuze uit eigen werk. Uit de eerste bundel las ik toen vele malen 'dit is', een gedicht uit 1980 dat zo klinkt:

 

“Dit is niet mooi

dit is niet onleesbaar

 

dit is niet voor kinderen

dit is geen geheimtaal

dit verheft niet het volk

 

dit is de binnenkant

van je buitendeur, dit ken je

toch: je hand

vergroeid met de klink

 

op de mat onder je voet

hat dagblad het weekblad het maandblad

het jaaroverzicht

 

het sneeuwt in de hitte

het sterft in de vrede, de letter

heeft alles gegeten, niets

is niet

waar, niets is verleden, niets

is verteerd –

 

En uit de tweede bundel, zo helder is het werkelijk zelden, dat in november 1988, zo leerde ik later, ter gelegenheid van zijn vijf en zeventigste verjaardag bij Querido was verschenen:

 

“Zo helder is het werkelijk zelden, men ziet

het riet wit voor de verte staan

 

iemand klopt aan, vraagt water, het is

een verdwaalde jager

 

het antwoord is drinkbaar, zijn kromme weg

uitlegbaar in taal

 

in zijn weitas een bloedplas, het water

verspreekt zich al pratend in wijn

 

kijk, zegt hij, omstreeks het riet wijzend bij wijze

van afscheid, dit is een rouwmantel

 

later staat zijn glas daar nog, men ziet

het riet en eet wat – “

 

Zo'n slechte smaak had ik dus niet! Intrigerend, melancholiek, bezwerend, beschouwend, meditatief, vertwijfeld en speels, vind ik zijn gedichten. Velerlei toonaarden die de poëzie liefhebber zeker zullen aanspreken. Echt duur zijn deze bundels niet, zeker als men zich laat verleiden door een van onze nationale taalkunstenaars. En leuk om te weten: Totaal witte kamer is in 2003 in het Frans vertaald door Pierre Gallissaires en Jan H. Mysjkin; een tweetalige uitgave met een ets van Constant bij Ergo Pers in Gent. In datzelfde jaar verscheen in Parijs een eerste Franse bloemlezing uit het werk van Kouwenaar onder de titel Une odeur de plumes brûlées bij Éditions Compact.

 

1-10-2014  

Dank voor stank uitgegeven door Facetten in 2008. Een eerbetoon in woord en klank aan Fred Portegies Zwart. Gedichten uit Krullen van jezelf, toongezet en uitgevoerd door de Vijf Vliegen. Gedichten uit de bundel Betrekkingen, voorgelezen door de dichter op de cd. Etsen en tekeningen van Stijn Seip. Teksten over de dichter en zijn werkwijze door Aafke Steenhuis en Simon Portegies  Zwart.

Gedetailleerd leest u dit op de titelpagina. Deze dichter en copywriter (1933-2003) publiceerde gedichten in tijdschriften als Podium, Bzzlletin, Roodkoper en De tweede Ronde. Op de achterflap staat dat zijn werk door Adriaan Morriën werd geprezen en door Gerrit Komrij uitverkoren. Ook staan daar zijn publicaties in boekvorm, bij welke uitgever en in welk jaar: Oogopslag en eindseconde (1957) en Poëzie als kinderspel? Kinderen gedichten leren lezen (1975) bij De Bezige Bij; Tussenspel op mondharp (1987) en Gegijzelde gedichten (1988) bij Ypse Feeit; Kruiend ijs (1990) bij De Beuk; Betrekkingen (1998) en Krullen van jezelf (2001) bij de Prom.

Julia Barnes, de artistiek leider van Stichting Facetten, schrijft op een van de eerste pagina's over de dichter van de Nieuwendammerdijk dat hij Fred in 2002 voor het eerst gezien heeft. Ik citeer:

    'Hij zat voor te lezen in de woonkamer beneden in zijn dijkhuis (...) in Amsterdam-Noord, naast het atelier waar zijn vrouw Stijn Seip haar schilderijen tentoonstelde. Hij deed dat voorlezen heel nuchter. (...) Ik vroeg Fred hoe hij de volgorde van de gedichten in zijn bundel had bepaald, waarop hij antwoordde: "een kort gedicht na een lange.” '

Op de volgende bladzijden schrijft Aafke Steenhuis over de werkwijze van de dichter:

    'Hij is steeds blijven dichten. Had altijd papiertjes en boodschappenlijstjes in z'n zak waarop hij invallen noteerde, in dat bijna onleesbare, schuine schrift van hem. Die gedichten werden eindeloos bijgeschaafd. Hij wilde de dingen pregnant en lichtvoetig zeggen.'

En over zijn belangstelling, zegt zij:

    'Hij was overal in geïnteresseerd, in kunst, muziek, literatuur. (...) Hij verzamelde dichtbundels, romans, eerste drukken, was gek op het werk van Simon Vesdijk.'

Aan het eind van de bundel staat een stuk van zijn zoon Simon, de sterrenkundige, een wetenschapper die bezeten is van zijn vak, het liefst een kaart zou maken van de melkweg en uitrekenen waar alle planeten in de melkweg zijn. Hij zegt dat de mens heel weinig weet van zichzelf en het universum: hoe is de mens ontstaan, wat is de mens, zijn intelligentie? Hoe zit het universum in elkaar en de microscopische atomaire wereld? Allemaal vragen die Simon Portegies boeien. Verder lezen we dat vader en zoon graag samen filosofeerden over kunst en wetenschap en 'hoe hun beoefenaars streefden naar een bijna onmenselijke volmaaktheid':

    'Soms schreven we samen. Fred was niet snel tevreden, en ik begreep niet altijd waarom die zin of juist dat éne woordje niet goed was. Vol onbegrip haakte ik dan af, maar hij ging door, niet te stuiten in het bereiken van de optimale combinaties van woorden en letters. Met als enig doel het schrijven, ongewild daarmee zijn innerlijke gedachtegoed vereeuwigend. Streven naar perfectie doe je niet voor de lol, het is noeste arbeid.'

Bijzonder vind ik deze samenwerking tussen die twee, de letterkundige en de wetenschapper. Voor slechts 8 euro heeft u een prachtige bundel waar veel plezier aan te beleven valt.

Als u deze gedichten leest, dan bent u meteen verkocht:

 

    Pensato

 

    Tussen twee kreten stilte. Nacht

    waarin geen maan is opgekomen

    Wachten op wat niet wordt verwacht.

 

    Zo stil de tijd. Een onderkomen

    gebed in stemmen. Omgebracht

    wanneer geen klank meer uit wil stromen.

 

    Beweging in een toon zo zacht

    dat hij niet tot het oor kan komen.

    Hij kan nog maar worden

 

    In memoriam Anton Webern

 

    Zoen

 

    Daar zit in rolstoel, die zo machtig was

    en zoveel angst haar broed wist aan te jagen,

    die van haar eigendom geen ontrouw kon verdragen

    en van mijn drossen naar een ander nooit genas.

 

    Wanneer zij het gebit verkeerd-om in wil doen

    – ik kijk het met bevroren afkeer aan

    en laat haar eerst een keer of wat begaan –

    haal 'k van heel diep wat kinderlijk fatsoen.

 

    Ik zeg: 'Zal ik het even voor je doen?

    Dan spoel ik kwijl en kruimels even vlug

    eerst er van af. Geef mij maar. Ben zo terug.'

 

    Door wat ze aan mijn kind zei, kwam 'k er achter

    dat ze mij anders vond geworden, 'zoveel zachter'.

    Ik overwin mijzelf en geef een afscheidszoen.

 

    Sterk geslacht

 

    Mijn schoonvader van 95

    heeft bonje met zijn broer van 93

    over wie donderdag a.s.

    het woord zal voren bij de uitvaart

    van hun zuster van 96.

 

    Ook dicht tegen de honderd aan

    zijn de andere vier hem voor gegaan.

    Dat maakt de kans gering

    dat een volgend verscheiden

    opnieuw tot twist zal leiden.

 

Uniek, ontroerend, geestig: velerlei toonaarden in deze met rood kartonnen band prachtig omgeven bundel.

 

22-09-2014

De Tarot is een unieke bundel van Paul Rodenko's gedichten, uitgegeven door BZZTôH te 's-Gravenhage. Het is eigenlijk een fotografische herdruk van het boekje dat in 1978 verscheen in een oplage van 15 exemplaren, gedrukt, gezet en typografisch verzorgd door André Kerkhoven. In 1975 begon Rodenko met het samenstellen van deze bundel. Bij zijn overlijden op 9 juni 1976 was slechts een gedeelte klaar. Jettie Rodenko heeft de bundel voltooid met gebruikmaking van Orensnijder tulpensnijder uit 1975, Echte poëzie is spelen met vuur, een interview met Rodenko door Van Deel en Fokkema in De Revisor van februari 1975 en de bundel Op het twijgje der indigestie in 1976 gepubliceerd door Meulenhoff.

Dit wordt ons meegedeeld aan het slot van deze prachtige uitgave uit 1979 die wij u voor 10 euro aanbieden. Op pagina 7 legt Rodenko uit wat De Tarot is: “een magisch kaartspel, dat de mysteriën van hemel – aarde – mens - kosmos probeert te voorspellen of uit te leggen. Centraal staat de gedachte dat de (tarot)poëzie in haar verschillende verschijningsvormen berust op een de dichters zelf onbewuste mythische struktuur en wel de oude vruchtbaarheidsmythe van marteling of kruisiging, dood, afdaling in de onderwereld en wedergeboorte.”

Bekijk deze kaarten: de magier, de priesteres, de oermoeder, de koning, de paus, de zegewagen, de liefde, justitia, de ziener, levensrad, de kracht, de gehangene, de dood, bewustzijn, de duivel, destruktie, de sterren, de maan, de zon, het laatste oordeel en de wereld. Een plezier voor het oog, deze eenentwintig kaarten. De verzen, een plezier voor de geest.

Naast de uitbeelding van de wereld, bijvoorbeeld dit gedicht:

 

de wereld

was onze adem, een vlammende vogel

onze vogel

een eenzame ster de ster

een kleine planeet

een gouden schomme

voor twee.

 

Bedenk dat illusie en werkelijkheid immers het onderwerp van het leven zijn – uw leven – gelijk zij het onderwerp zijn van de Tarot. Neem deze bundel mee naar huis. Geniet ervan.

 

17-09-2014

Mocht u weleens in het Antiquariaat grasduinen, dan vindt u zeldzame bundels voor heel weinig geld. Zo'n voorbeeld is de bundel Stenen en Sterren Gedichten 1939 -1994 van Pierre H. Dubois met een nawoord van Anton Korteweg. Deze Nederlandse dichter, prozaschrijver, vertaler, biograaf en criticus, in 1917 in Amsterdam geboren en in 1999 in Den Haag overleden, heeft talloze prijzen op zijn naam staan en heeft vanaf 1941 tot 1997 veel gepubliceerd maar weinig bekendheid gekregen.

In het nawoord lezen wij dat Dubois van de generatie van Bertus Aafjes, Ed. Hoornik, Adriaan Morriën, Leo Vroman en Adriaan van der Veen was. Dat hij in zijn poëzie zichzelf voortdurend de vraag stelt over zijn eigen bestaan maakt dat wij van een existentiële beschouwing kunnen spreken. Interessant zijn de contacten die Dubois had met W.F. Hermans in Brussel in de jaren veertig van de vorige eeuw. Over deze schrijver en journalist zei Hermans het volgende: ‘aimabel, katholiek en voorzien van een goed netwerk’. Dubois zelf herinnerde zich in zijn memoires dat Hermans geestig was en 'een beetje sardonisch'. ‘Hij was heel scherpzinnig en volstrekt niet onaardig.’ In NRC Weekend artikel van zaterdag 23 & zondag 24 november 2013 schrijft Willem Otterspeer dat Hermans een uur heeft gesproken met de dichter. ‘Het is een roze, ronde, degelijke jongeman. Ik geloof niet dat deze kennismaking voortgezet zal worden.’ Daarin vergiste hij zich want Dubois spande zich voor hem in. Hij was niet alleen correspondent voor De Tijd, maar ook chef kunst van De Nieuwe Standaard waarin Hermans schrijft over twee stromingen in de Nederlandse literatuur: de “irrationele fantasten” en de “rationele realisten”; hij deelt zichzelf bij de eerste stroming in en vindt Dubois maar een saaie man die alle bohemien allures mist. De journalist trekt zich hier niets van aan, reist naar Nederland en komt terug 'in vuur' voor de poëzie van Hermans.

Het is moeilijk om Dubois in een bepaalde richting in te delen. Hij heeft iets heel eigens, onpretentieus, huiselijk, nooit betogend en soms vrolijk en frivool, bijna banaal en alledaags. Lees je 'Een dag uit mijn jeugd': ‘Een man, vader geheten, zit in een stoel / voor een beregend raam. Hij rookt een sigaar. / De rook hangt in slierten om de lamp.’ Of deze regels uit het gedicht 'Woorden': ‘alleen met woorden die onschrijfbaar zijn / kan het eeuwige zwijgen / worden / aangeklaagd.’; dan weet je dat de zeven euro die de bundel kost goed zijn besteed.

De Vlaamse dichter Maurice Gilliams schreef over deze bundel: '– Gedroomde kaars, hoe lang nog zult gij branden? Maria zit naast mij. Stenen en sterren / vallen op tafel, langs mijn dorbevreesde wangen / terwijl ik schrijf.' Ikzelf vond uit zijn Vroege verzen de derde strofe van het gedicht 'Te kunnen leven' aandoenlijk en typerend voor de poëzie van deze dichter: ‘Te kunnen leven, dan, zelfs dan, en niet vergrijzen / als niets meer overblijft van wat eens was en werd/en met een strakke mond het leven goed te prijzen.’

 

Juni 2014

 

Iedereen weet dat Remco Wouter Campert (1929)

veel heeft geschreven: verhalen en romans maar

vooral gedichten. Zijn vader, getrouwd met Clara

Eggink is bekend door Het lied der Achttien Doden

dat hij in 1941 schreef. Toen Remco veertien was

hoorde hij dat zijn vader, verzetsstrijder, in 1943 in

het concentratiekamp Neuengamme is overleden.

Eén jaar is RC getrouwd geweest met Fritzi Harmsen

van Beek wier woning in Blaricum een ontmoetings-

plek werd voor schrijvers en dichterts. Belangrijk om

te weten is dat hij in 1950 met Rudy Kousbroek het

tijdschrift Braak heeft opgericht en iets later in dat-

zelfde jaar de redactie werd uitgebreid met Lucebert

en Bert Schierbeek. Na verschijning van de bloemlezing

Atonaal in 1951, onder redactie van Simon Vinkenoog,

werden de daarin opgenomen dichters onder wie Gerrit

Kouwenaar, Jan Elburg en Hugo Claus aangeduid als de

Vijftigers. Deze dichters werden beschouwd als een

verzetsgroep tegen de literaire traditie, maar Campert

gold als 'de meest verstaanbare dichter'. Deze bundel

Remco Campert Dichter, in 2009 door de Bezige Bij

uitgegeven, telt 762 bladzijden en bevat zijn gehele

oeuvre vanaf 1951 “Vogels vliegen toch” tot Ode aan

mijn jas uit 1997. Ook zijn bundel uit 2007 getiteld

Nieuwe herinneringen is erin opgenomen. Daarin

lezen we Poëzie: “De letter verlangt naar woorden/

en de witte stilte ertussen/ woorden haken naar de regel/

en zijn regelrechte loop/ de regel wil poëzie zijn/

ordeloos en liefdevol open/ de poëzie kijkt popelend uit/

naar zijn filmer/ die filmt alsof het gedrukt staat.”

In Verspreide gedichten 1950-1994 staat”: “Dichten is

liegen op hoger plan/ van een mus een zwaluw maken/

en als het even lijden kan/ nonchalant aan de kosmos

raken/ liefs erwtenborsten/ worden een verruklijk span/

een gore lap een smetteloos laken/ maar voor de deur

staat een man/ al nachtenlang te braken.” Voor 34,90 euro

heeft u iets om in te blijven lezen en bezitten. Spijt, nee!

 

 

Mei 2014

 

De mooiste van Brecht, Goethe, Milosz, Pablo

Neruda, Rafael Alberti, Werner Aspenström,

Södergran, Shakespeare, Wallace Stevens en

William Wordsworth staan nog in de winkel.    

Tweetalige edities met voorwoord en inleiding.

Unieke bundels omdat de dichter alle aandacht

krijgt die hij verdient. Wist u dat Rafael Alberti

 (1902-1999) de eeuw vrijwel heeft overleefd?

In de inleiding uit 2000 van Bart Vonk lezen wij:

 “R.A. is een mijlpaal in de hedendaagse Spaanse

poëzie.” Gevarieerde thema's, een surrealistische

inslag, onbeperkte technische en beeldende moge-

lijkheden. Tenslotte ontvanger van de Cervantesprijs.

Zijn lange ballingschap van 1939 tot 1977 heeft zijn

schrijven diepgaand beïnvloed. Om u een idee te geven,

deze regels uit Vliegen maar! “Houthakker,/hak de den

niet om,/want een hele famile/ slaapt in zijn kruin.” En

uit Verboden te wateren: “Tussen de plassen en plassen

door/zie je meer plassen, langgerekt, breed,/misschien

van een non die is verkleed,/soms van een hond of van

de pastoor.“  Op de flaptekst van Werner Aspenström

(1918-1997), lezen we dat hij zijn gedichten schreef

voor zijn kat. Een van de grootste Zweedse dichters

wiens werk veel is geprezen om zijn lyriek maar nooit

eerder in het Nederlands is vertaald; in 2008 door Ivo

van Strijtem. Uit Een rede als een andere de eerste regels:

“Verbeelding, kan je die verdedigen?/Niet in een recht-

zaal./Dromen, wegen die iets?/Niet op alle weegschalen./

Dichten, is dat eerzaam? Niet bijzonder.” En dit: “De loof-

bomen kleden zich uit,/kleden zich aan,/regelmatig,/als

in een huwelijk.” Deze mij weinig bekende dichters heb ik

gekozen omdat de anderen, met uitzondering van Sõder-

gran, ons vertrouwd zijn. Binnenkort zijn deze bij Lannoo/

Atlas uitgegeven dichtwerken geheel en al uitverkocht.

 

 

April 2014

 

Ooit stond 'de hele wereld' bij Perdu. Na vier

jaar kwam 'hij' of 'zij' weer terug: De mooiste

van DE HELE WERELD, door Koen Stassijns

en Ivo van Strijtem, in 2010, samengesteld.

De moderne wereldpoëzie in 333 gedichten

lag op een vrijdagavond zeker een kwartier te

kijk onder de ogen van iemand die maar bleef

bladeren in deze dichterswereld van zo'n drie

honderd bekende en totaal onbekende namen.

Vier honderd tachtig bladzijden vertalingen

van buitenlandse gedichten van na 1900,

verdeeld over tien thema's en ingeleid met een

klassiek gedicht van een voorloper: Dickinson,

Goethe, Rimbaud, Poesjkin en nog anderen, met

daarbij een paar intrigerende regels. Van wie zijn

die? Wil je dit weten dan blijf je lezen. Ik verklap

dat bij het thema Landschappen, de regels:

“De velden stromen voorbij/de aarde komt en gaat”

van Miguel de Unamuno zijn; bij Liefde, de regels:

“Het is wat het is/zegt de liefde” van Erich Fried;

bij Voorbijgaan, is de regel: “Halfeen. Snel is de tijd

voorbijgegaan” van Kaváfis; bij Poëzie, de zin:

“Want zij bestaat, het meisje Poëzie” van Léopold

Sédar Senghor; Bij Verwant: “Ooit was mijn moeder

een ree” van Rose Ausländer; bij Onrecht “Niemands

brood heb ik afgenomen“ van Primo Levi. Toen ik

“En voor ieder zou er daarboven een vogel zijn” las,

van Ali Cengiskan, bij het thema Mysterie, bedacht ik

dat u het spelletje zelf mag afmaken; dat ook u zult

genieten van dit gedichtenalbum. Voor maar 30€.

 

 

Maart 2014

 

Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie
1945-2005. Poëzie Centrum, Gent, 2008.
In dit hotel slapen 266 dichters, voorzien van
sterren: één ster voor 132 dichters, vijf voor 7.
Van Hugo Claus, Leonard Nolens, Hugues
C. Pernath en Willy Roggeman zijn 10 gedichten
opgenomen; en van Dirk van Bastelaere, Herman
de Coninck en Jotie T' Hooft 9 gedichten.
Dan weet je wie door Dirk van Bastelaere, Erwin
Jans en Patrick Peeters als 'beste' zijn uitgekozen.

“Om het literair historisch karakter van deze
bloemlezing in de verf te zetten, hebben we voor
een chronologische presentatie van de gedichten
geopteerd. Op die manier geven we de gedichten-

bundels terug aan de stroom van de tijd”. Er zijn
ook “gedichten van dichters die ons weinig of niet
interesseren, omdat we ze saai, flauw, truttig of
ouderwets vinden.” Je bent benieuwd hoeveel
sterren de in Nederland bekende Vlaamse dichters
krijgen. Drie sterren voor Gaston Burssens, Louis
Paul Boon en Stefaan v.d. Bremt van wie de regels:
“Dichten is het ik en nu
betrekken in het spanningsveld
van alledag en alleman.”
Zou dat de bedoeling van deze bloemlezing zijn,
die 672 gedichten telt, in velerlei toonaarden?
“We willen dat dit boek gebruikt wordt door een
zo groot mogelijk publiek, omdat we vinden dat het
dominante beeld van poëzie dat vandaag in de media
wordt uitgedragen ergerlijk simplistisch is.” las ik.
Een reis door de tijd in een ons vaak onbekende en
indringende taal. Neem mee voor nog geen 20 euro.

 

Februari 2014

 

Wordt de verloren tijd ooit hervonden?

De Gerard Doustraat, later de Kerkstraat 

waren plekken waar tijd ooit stil stond;

boeken, koffie, dichters, gesprekken,

sigarettenrook en soms ook echte stilte.

Je kon de hele middag tientallen bundels

opstapelen, lezen, bekijken. Perdu 1984.

Ik draag die sfeer nog steeds in de tas

van mijn zijn; en als kleine zandkorrels

zweeft de herinnering aan de romancier.

Het visueel geheugen maakt gedachten

aan liefde voor de vrouwen die Marcel

Proust van verre ziet, wiens schoonheid

blijft boeien als een zeldzaam kunstwerk.

Deze verteller koestert het verlangen om

toegelaten te worden tot de Parijse salons

van begin vorige eeuw, om zó door deze

contacten een hogere status te bereiken.

Dat Perdu gevoelige geesten aantrekt om

in wereldse kunststreken te verblijven is

de herhaling van een Recherche die nooit

ophoudt; immer op zoek naar geliefde

woordkunstenaars die dertig jaar na

dato de Kloveniersburgwal vereeuwigen.

                                        Misschien wordt in de toekomst de naam

                                        PERDU door een jonge enthousiasteling

                                        omgetoverd tot RETROUVÉ.

 

 

December 2013

                                              

Letterlijk het beste van het beste dus, schrijven

Ilja Leonard Pfeiffer en Gert Jan de Vries in het

woord vooraf van de prachtige verzenbundel, 

getiteld  De 100 allermooiste gedichten van de

Europese poëzie. Beiden auteurs hadden al een

jaar eerder De canon van de Europese poëzie

samengesteld: een overzicht van dertig eeuwen

en vijfhonderd titels. Wat deze bundel zó heel

aantrekkelijk maakt is het eindeloze grasduinen

erin. De volgorde van de gedichten is bepaald

door hun jaartal in de geschiedenis. Het eerste

gedicht getiteld De koeien op slachtdag is door

de Australische dichter Les Murray geschreven

in 1996. Daarna volgt oh dolorosa van Lucebert

uit 1993. Dan Tsjêbbe Hettinga, Fabrizio De

André uit Italië, enzovoort; tot het allerlaatste

dichtfragment De terugkeer van Odysseus van                                            

Homerus, 8ste eeuw voor Chr. De buitenlands

gedichten zijn allen voorzien van een vertaling.

De overstap van de ene auteur naar de andere

is boeiend en vaak spannend, bijvoorbeeld van

P.C. Hooft naar Malherbe, ertussenin William

Shakespeare, dan Fray Luis de León uit Spanje

gevolgd door Luis Vaz de Camoes uit Portugal.

Of in de jaren zestig Gerard Reve gevolgd door

Bob Dylan. Je leest de eerste regels van Graf te

Blauwhuis:“Hij rende weg, maar ontkwam niet,

en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.”

Of  de bekende regels van Blowin ' in the Wind:

“How many roads must a man walk down

Before you call him a man?”

In de verantwoording zie je waar de gekozen

gedichten en vertalingen te vinden zijn. Vreemd

dat dit prachtboek voor maar €15 bij Perdu blijft

liggen, niet meteen wordt meegenomen! Wist u

dat vijftien Nederlandse dichters erin zijn opge-

nomen: Van Lucebert  tot  Anthonis de Roovere.

Kent u die?

 

 

November 2013

 

Op zondag 1 december 2013 om 15:00 uur

organiseeert Perdu een feestelijke bijeenkomst

met als thema: 'De boekenkast van Lucebert'.

            Titel van het boek van Lisa Kuitert dat die dag

            door haarzelf gepresenteerd zal worden en de 

            toehoorder een antwoord op de vragen geeft:

            Wat las hij? Wat deed hij met zijn boeken?

            Deze zullen tastbaar in uw handen komen want

            wij organiseren die middag een prachtverkoop.

            Wij kennen allemaal in Nederland deze mens.

            Dichter, voorman van de vijftigers; als schilder

            nauw betrokken bij de experimentele COBRA

            groep en nu bij Perdu als boekenleverancier.

            Spannend om te weten wat onze culturele icoon

            las, welke boeken voorzien van stempel en/of

            handtekening u straks naar huis zult meenemen.

Lucebert, een geniale woordkunstenaar, een beheerste zoeker,

een bevlogen lyricus, een bijna kwetsende grappenmaker, een                               

nauwlettende ontwerper van onverhoedse woordcombinaties!

Meer dan alleen een spel met klank en vorm zijn het nieuwe

woordbetekenissen die vrijkomen, hun eigen weg zoeken en

vinden in het hoofd van de lezer. Voor elk wat wils, zo lijkt het.

bv. “roestend rijden” of een “zuidwester op zijn gulp hebben”

“Ik ben niets meer dan een omroeper van oproer”. Losse flarden.

En “Zij kwamen uit en zij zaaiden / preekpoeder in het geraamte

van de aarde “ uit Van de afgrond en de mens. Dat weet ik nog.

Uit De analphabetische naam  

            “ik heb daarom de taal

in haar schoonheid opgezocht

hoorde daar dat zij niet meer menselijks had

dan de spraakgebreken van de schaduw

dan die van het oorverdovend zonlicht “

Herinneringen aan een tijd met deze dichter, eens doorgebracht.

 

 

Oktober 2013

 

Naast René Char, Eluard, Michaux en Ponge

staat nu ook in de Franse kast, Nathalie Prats.

Zij is de auteur van D'UN  HIVER  BLEU.

Hoe zij bij ons terechtgekomen is berust op

toeval. In een verlaten doos vond mijn collega

een gedicht getiteld Leurs mains en nuage.

Zij vertaalt dit en raakt enthousiast. Een brief

wordt aan de dichter opgesteld en verzonden.

De dame reageert snel en stuurt haar bundel.

Wat wij niet weten is dat dit werk april jl. met

haar schilderijen, in Parijs werd gepresenteerd.

Na het lezen constateer ik dat zij op originele

wijze alle stijlfiguren uit de Franse poëzie goed

weet te combineren. Middeleeuwse liefdeslyriek,

zeventiende eeuwse preciosité: speciaal verfijnd

taalgebruik, tot het hedendaagse surrealisme.

Ook de thema's varieren: van liefdesverdriet tot

sympathie voor de dingen die zij ziet, beleeft en

denkt. Als beeldend kunstenaar interesseeert

haar vooral de vormgeving. Het gedicht getiteld

In een vierkant is daar een mooi voorbeeld van.

                                     Ik zou willen weten waar

               ik heenga als ik in een vierkant loop.

                      Het zou mij erg helpen te weten waarheen

                ik ga als mijn kompas vierkant wordt. Zonder poen,      

              zou het slecht met mij af kunnen lopen. Het wordt erg

             moeilijk de horizon te overzien. Wandelen is dan lastig

 als je in een vierkant loopt. De ruimte als iets logisch

                 bevatten, dat spreekt aan maar 't is onaangenaam.

                       Je bent nauwelijks vertrokken of je bent

                            al aangekomen. Dan loop ik liever

                              in 't rond niet wetend waarheen.

 

                       

Juni 2013

 

André Breton, Gedichten 1935 – 1940

en Gedichten 1940 – 1943 liggen twee-

talig, knap vertaald en mooi geïllustreerd

op onze tafel. Een genot om erin te lezen

en vooral om te bekijken. Wilt u iets over

de paus van het Surréalisme weten, koop

en lees deze bundels; wat ze zó interessant

maken zijn de MARGINALE GLOSSEN. Dit

zijn commentaren, uitleg en verklaringen die

veel verduidelijken over de gedichten. Over

LA MAISON D'YVES [Yves Tanguy] lees je bij

de annotaties achterin: “Uit een essay van

John Zuern blijkt dat dit gedicht program-

matisch kan worden opgevat. De esthetiek

van het surrealisme wordt doorlopen. De

structuur lijkt op een labyrint met capillaire

wanden tussen het onderbewuste en de rea-

liteit of zoals Breton's bundel: les vases

communicants, 1951. Het gedicht toont het

huis als symbool van onbewuste verborgen

ervaringen.” Als we verder lezen weten we

dat Breton een speciale band had met de

schilders De Chirico, Magritte, Ernst, Dali

en Tanguy, wiens doeken “in Bretons

bewustzijn ronddwalen”, vertelt ons Pieter  

Schermer die niet alleen vertaler, Breton

kenner maar ook surrealistisch dichter is.

Uit zijn bundel DICHTHEID laat ik u de

laatste strofen van Nachtsnoeken lezen:

“Maan en sterren verlaten hun oorsprong

Dovende glans reeds lang gestorven

De stand van zaken is niet opgehelderd

Dingen blijven raadsels”

De bijna didactische toon van de laatste regel

is voor mij een statement. Het is zoals het is.

 

 

Mei 2013

 

In 1989 publiceert Meulenhoff Spiegel van

de surrealistische poëzie in het Nederlands

en maak ik kennis met de auteur van deze

zo zeldzame bundel. Drie en twintig jaar

later staat in hetzelfde geel gekleed bij ons

in kleiner formaat de Nieuwe anthologie

van de Nederlandse surrealistische poëzie

op een zwarte stellage met 'n schitterende

omslag: Kristians Tonny, transfertekening,

1925. Bekijk deze bundel en laat je ogen

vallen op willekeurige regels zoals dezen: 

“Als ik nu terugdenk aan dat jaar, beginnen/

vliegtuigen weer onverwacht een snel spel

van granaten / terwijl ze haast achteloos

kleine kogels loslaten, / de stranden, met

prikkeldraad beplant, liggen verlaten.”

Dit zijn Herinneringen aan 1944 van

dichter-jurist Jak van der Meulen. In 1928                

schreef Paul van Ostaijen Jong landschap

waarin te lezen: “Zo staan beiden bijna

roerloos in de weide / het meisje dat

loodrecht aan een touw des hemels hangt /

legt hare lange hand op de lange rechte

lijn der geit / die aan haar dunne poten

de aarde averechts draagt”. In 1950, deze

eerste regel van Capsule: “In de schemering

verdiept de glimlach van het 18-jarige /

dienstmeisje zich gemakkelijk tot een riool.”

Dit, van Hans van Straten die ik in Paradiso

eind tachtig ontmoette met Jak die het licht

zag in het jaar dat Paul van Ostaijen stierf.

Zo blijven herinneringen hangen en leven

voort. Deze bundel zal ook aan uw lippen

blijven hangen en bedenk  met I.K. Bonset

dat  “wie boven is kan niet beneden zijn”.

 

 

April 2013


Wie kent Gaston Karel Mathilde Burssens?

Dichter, geboren te Dendermonde, 1896

overleed te Antwerpen, 1965.

In de Moderne Encyclopedie van de Wereld-

literatuur, een mooi artikel van W. Gobbers:

“Het gewaagde modernisme en nonconfor-

misme waarachter deze in de grond stille,

gevoelige natuur zijn schuchterheid en

kwetsbaarheid camoufleert, maakten hem

tot een van de felst omstreden Belgische

dichters. (…) “Met van Ostaijen werd hij

een der weinige authentieke vertegenwoordi-

gers van het organisch expressionisme: een

ongerijmde wereld, gevat in ongerijmde poëzie.”

Bij Perdu heeft zijn bundel Alles is mogelijk

in een gedicht, Verzamelde verzen 1914-1965,

bezorgd en voorzien van een nawoord door

Matthijs de Ridder; 1118 bladzijden dik, lang

op de plank gestaan. Niemand keek ernaar.

Hoe omstreden deze dichter ook moge zijn,

zijn verzen werden beloond met de Driejaar-

lijkse Staatsprijs voor Poëzie 1950-1952 in

1953. En weer een prijs in 1956.

Ik laat u een gedicht lezen: BALANS '40

Wat kan een dichter van zichzelf nog zeggen

Wat rest hem nog van wat hij heeft gezegd

Een vrouw een potlood en een tinnen lepel

Een onbeschreven blad dat hij had weggelegd.

Deze bundel kostte 65€, toen 40€ en nu 20€.

Verkocht voor deze prijs. Welke andere bundels

zijn er nog meer voor zo weinig te koop?

Als u goed zoekt, zult u ze zeker vinden.

 

 

Maart 2013

 

De magnetische kracht van 17 13   

leest als een uitputtende geschiedenis 

over surrealisme, dichters en schilders.

In drie hoofdstukken, prachtig getiteld:

I. Het land van blonde nevels

II. De herbezieling van het leven

III. Aanschouwingslessen buitengaats,

wordt bevlogen, uitmuntend geschreven

over wat dichters zal boeien in deze

kunststroming die, zoals de auteur het 

over Breton zegt, “wordt gekenmerkt 

door een  magnetische kracht die steeds

opnieuw in staat is gebleken om de

verbeelding en de zucht naar vrijheid

een vaste koers te geven”. Interessant

voor de lezer is de ontdekkingstocht

van de auteur zelf die op p.132 schrijft:

“In de aanvang was André Breton

voor mij vooral een verre dichter uit

het heroïsche begin van de vorige eeuw,

totdat ik het levende surrealisme ontdekte

en de ware André Breton via de essays van

Octavio Paz.” Deze bundel geeft ons een

volledig beeld over leven , werk en invloed

van surrealisten in de hele wereld; beschrijft

uitstekend het wezen van deze stroming

die, in zijn geschriften en afbeeldingen,

de aantrekkingskracht van een magneet

op lezers en kijkers zal blijven uitoefenen.

 

 

Februari 2013

 

Een van de origineelste stemmen in

onze twintigste eeuwse poëzie mogen

we Louis Lehmann wel noemen.

Het beste dat ik over hem las komt uit

de zojuist verschenen Brumes Blondes

bundel met de significante titel

De magnetische kracht van 17 13”.

Laurens Vancrevel schreef in 2008:

“Een bekende spreuk van hem is:

'De vogel Valdood vliegt ook tegen beter

weten'. In deze bundel kunt u veel lezen

over onze Nederlandse surrealistische

dichters en schilders. Als je wilt weten

wie wat wanneer heeft betekent, bekijk

en lees deze boeiende en interessante

geschiedenis over ons surrealisme.

Als je erin begint dan weet je van geen

ophouden. Het leest als een schitterende

roman, het verrijkt je geest en geeft zin om

de teksten van al deze dichters te kennen.

Koop deze twee prachtig uitgegeven

bundels. De tweede bundel is getiteld

Nieuwe anthologie van de Nederlandse

surrealistische poëzie.

Van deze koop zult u nooit spijt krijgen.

 


November 2012
 

Dit bericht komt u wellicht bekend voor.

Het heeft een iets ander jasje gekregen:

Intrigerend deze wetenschapper

die na zijn zeventigste levensjaar

Tegengif, Het leven is gezelligheid

Vreten op aarde en Met weemoed 

bij Éditions Saint Jacques publiceert.

Fraaie zwarte bundels, één steenrode.

Zijn poëzie –  een barometrische waar-

neming van ons heelal als ongeordend

geheel –  neemt ons mee langs plekken

door hem bezocht en roept voorvallen op

die in ieders herinnering leven. Zelfspot,

een bijtende ironie zijn graag gebruikte

stijlfiguren die verwarring scheppen.

De taal is ongegeneerd, provocerend

diepzinnig, vrijmoedig, verhelderend.

Een verleider is deze kunstenaar die

zijn gemoed lucht, jong en oud trekt

in de zwerftocht door de eeuwen heen.

Geniet van de verzen, van zijn geest:

Lang vervlogen verre dagen

in mijn hoofd langzaam vervagen;

stemmen die ik ben vergeten

tongval, klemtoon en ritmiek;

streling, zoetheid, lange halen

met hun klank en toon, muziek.

Verre dagen, lang vervlogen.

JC Aachenende dicht in vier talen

beschikt over drie namen en geeft zelf

zijn bundels uit voor een zacht prijsje: 10€

 


Oktober 2012

 

Intrigerend deze wetenschapper

die na zijn zeventigste levensjaar

Tegengif, Het leven is gezelligheid,

Vreten op aarde en Met weemoed bij

de Éditions Saint Jacques publiceert.

Fraaie zwarte bundels, één steenrode.

Barometrische waarneming van ons

heelal als ongeordend geheel, is zijn

poëzie die de lezer meeneemt langs

plekken door hem bezocht en data die

in ieder's herinnering kleven. Zelfspot,

ironie zijn graag gebruikte stijlfiguren.

De taal is ongegeneerd, provocerend

diepzinnig, vrijmoedig, verhelderend.

Een verleider is deze kunstenaar die

zijn gemoed lucht, jong en oud trekt

in de zwerftocht door de eeuwen heen.

Zijn dichten is een op zichzelf staande

kunst. JC Aachenende is de naam,

Geniet van de verzen, van zijn geest:

Lang vervlogen verre dagen

in mijn hoofd langzaam vervagen;

stemmen die ik ben vergeten

tongval, klemtoon en ritmiek;

streling, zoetheid, lange halen

met hun klank en toon, muziek.

Verre dagen, lang vervlogen.

Voor het geval u het niet weet: hij dicht

in vier talen en beschikt over drie namen.

 

 

September 2012

 

Met z'n twaalven liggen ze naast elkaar,

de Perzische dichters, op een lange

uitgerekte tafel, gevat in een kleurig jasje.

Geheimzinnig zijn de titels van de bundels:

Zorgzaam als een nomade van Atashi.

Van Sepehri Raana bij de vijver en

De klank van de voetstappen van het water.

In de stilte van de maan:Vermeerreeks

en andere gedichten van Bigonah.

Schaduw van Ebtehadj

Spiegel voor geluid van Kadkani.

Van Forugh Farrokhzâd twee bundels: 

Ik voel deernis met de tuin

en Iemand die op niemand lijkt. Zij is de

meest gelezen moderne Iraanse dichter,

maar ouder dan 33 is zij niet geworden.

O God, heb je ooit gehuild van Rahmâni

Mijn rijkdom van vis tot maan van Lâhuti

Aïda in de spiegel van Shâmlu

Wees mooi van Khâksâr

Een wit veulen van Kiarostami.

Opvallend bij deze dichters is

de verscheidenheid aan ideeën

en de verbondenheid met de cosmos.

In de anthologie Stegen van stilte zult u

vertrouwd raken met de allergrootsten.

 

Juni 2012

 

Niet voor niets ligt René Char, talrijk,

op een eigen plaats naast Michaux

en Paul Eluard in onze winkel. Zichtbaar

in de poëzie-pocket-serie van Gallimard,

drie bundels: Fureur et mystère, Eloge

d’une soupçonnée en Commune présence.

“Dat Char tot de grootste Franse dichters

behoort, daarover bestaat geen twijfel.

Ten onrechte is hij tot nu toe een dichter

voor dichters gebleven. Nog slechts een

beperkt publiek heeft zich het ‘mysterie’

van deze poëzie eigen gemaakt.”schrijft 

C.J. van Rees in het Parool van juni 1967

toen deze dichter zestig was geworden.

             “Dichten was voor Char het onsteken

                           van licht door de fonkeling van op elkaar

stuitende woorden ” schrijft Henk Pröpper

over hem in het NRC van 23 februari 1988

als Char de week daarvoor is overleden.

“Le poème est l’amour réalisé du désir

demeuré désir.” is een van de mooiste

aforismen, te lezen in Fureur et mystère.

 

 

Mei 2012

 

In De tuin van de Franse poëzie valt

een prachtige wandeling te maken

van het eind van de negende eeuw tot

in het midden van de twintigste eeuw.

Ergens lees je bijvoorbeeld deze regels:

Ik zie haar nooit maar blijf haar trouw

of Alleen ben ik, en alleen wil ik wezen

of Ik leef, ik sterf, ik brand en ik verdrink.

of Meer stront dan straten kunnen stouwen

en onderaan Bevalt u het Parijse leven?

Je bladert door en belandt in de romantiek

met Nerval: Waarom was ik hier?

Deze zelfde tijd leverde ook het taalspel op

dat voor mij de ontdekking was van wat

poëzie moest zijn. De poète maudit Tristan

Corbière begint zijn grafdicht met de woorden:

Mengsel van alles en nog wat ( ...) en eindigt

Zo stierf hij wachtend op het leven

En leefde wachtend op de dood.

Deze bundel levert honderd Franse gedichten, 

samengesteld en vertaald door Paul Claes.
 

 

November 2011

 

Dit jaar heeft een Zweedse dichter de

Nobelprijs voor literatuur gewonnen.

Tomas Tranströmer, in 1931 in Stockholm

geboren.

Bernlef heeft zijn werk in 1992 integraal

vertaald onder de titel De herinneringen zien mij,

verschenen bij de Bezige Bij.

Binnen een week staat hij op onze tafel

en ook u zult in de ban

raken van zijn gedichten.

Als u dit leest, wilt u meer:

Fantastisch te voelen hoe mijn gedicht groeit

terwijl ikzelf krimp.

Het groeit, het neemt mijn plaats in.

Het verdringt mij.

Het gooit mij uit het nest.

Het gedicht is af.

 

 

Oktober 2011

 

Een en twintig katernen van

deze dichters staan binnenkort 

in een houten omhulsel bij Perdu.

Hieronder ziet u de namen:

Theo van Baaren  e.a.  

Edouard Jaguer, ,

Guy Cabanel, Pieter Schermer  

Beatriz Hausner, Sergio Lima,

Laurens Vancrevel,  

Bastiaan van der Velden,

Jan Bervoet, Rik Lina,

Pierre Vandrepote, Allan Graubard,

Ludwig Zeller, Josse de Haan,

Raoúl Henao, Matthias Forshage,   

Rodrigo Hernández Piceros,

Hans Plomp, Wijnand Steemers.

Allen uitgegeven bij Surrealistisch

Brumes Blondes.

 

 

September 2011

 

Langs de buitenlandse kasten

lopen brengt je in China, India,

Rusland en elders in de wereld.

Laat je verleiden door deze

andere geestesproducten:

“En de mens kijkt

naar de aap terwijl hij weet

dat dit een heel ander wezen is”,

schrijft Sujuta Bhatt uit India.

Lees Het hoogste genot van

Bai Xingjian en vergeet

de laatste liefde van Tjoettsjev

niet voor uw vakantie bij Perdu.

 

 

Juni 2011

 

Zorgvuldig Vinkenoog's plank

afstruinen op zoek naar bundels

waarvan men bij binnenkomst

niet weet dat ze zomaar voor

het grijpen liggen te wachten

op de vrijdagavondbezoekers.

Simon trekt deze mensen aan.

Zouden deze dichtzoekers

Het Vurige Tongen Festival

bezoeken op Ruigoord? En

ontdekken dat de dichters

die liggen te slapen in witte

enveloppen, nooit bekeken

en geopend, daar in levende

spraak aanwezig zullen zijn?

 

 

Mei 2011

 

Drie geheimzinnige enveloppen

onderscheiden zich van

de bundels rondom, dragen

namen waarover in kranten

nauwelijks is geschreven,  

Brumes Blondes surrealisten 

van Colombia tot Parijs nu eens

in kleurrijk dun schrift uitgegeven.

Verderop zweeft hoog in Perdulucht

de geest van Simon Vinkenoog volop

aanwezig met wat hij las en bezat en

de wereld heeft nagelaten over

een voorbijgesnelde tijd.

 

 

April 2011

 

Kom bij ons langs

Laat je verleiden

door onze strofen

die ingesloten in

bundels de aandacht

verdienen van

voorbijgangers die

poëzie liefhebben

en zich bijvoorbeeld

door deze regels

naar hun bestemming

zullen laten meeslepen

Blaas langs de tederheid van taal

uit Buurtkinderen van Arjen Duinker

of Poëzie scheert langs alles

omdat het enkel het betasten kent ...

uit Ontij van Anneke Brassinga.

 

 

20 januari 2011

 

Wist u dat Perdu iedere week

een ander gezicht heeft?

Als je als bundel, nieuw,

in de winkel komt dan krijg

je een ereplaats op de tafel

midden in onze boekentuin.

Soms wordt verloren poëzie

uit de kast gehaald om

weer eens zichtbaar te zijn.

Spannend voor de passant

om te zien wie naast wie ligt.

Kom kijken en beleef dat plezier

 

 

December 2010

 

Wekelijks heb je de woensdag

om de mensen te helpen

aan poëzie die eeuwig ons land

bestookt met bundels

En je constateert dat de tafels

er weer heel anders bij liggen

dan de week ervoor.

Je loopt de tafels rond en ziet

iets wat er de week ervoor niet was

De mooiste van De Hele Wereld

Je neemt het mee naar huis

voelt je gelukkig met

Ja, gek genoeg het mooiste

geproduceerd in de wereld

van toen tot nu.

 

 

November 2010

 

Ja, Perdu,

daar heb ik zin in vandaag.

Eens kijken of zij iets hebben

van Paul van Ostaijen.

Nee, deze dichter staat niet

naast de huidige dichters.

'hé! Wat goed, u heeft

een Antiquariaat' zei ik tegen

de man die mij een kopje thee

aanbood.  'En drie bundels van

de dichter waarnaar ik zocht'.

Goed teken. Daar ga ik voor zitten,

dan hebben ze vast ook zeldzame

en onvindbare dingen.

Ben daar uren gebleven

met een tientje op zak.

Ging weg met vijf unieke bundeltjes.

En met Paul van Ostaijen.

Drie vijftig was dat. Ik blij.

 

Gedachtens van een Perdu-bezoeker.